‘Waarom ga je nou naar Amsterdam?’

Opa en ik hebben een speciale band, wordt er gezegd. En ja, dat kan ik niet ontkennen. Het liefst ga ik alleen naar mijn opa want dan kan hij zijn aandacht beter bij het gesprek houden en kunnen we veel kletsen.

Veel kletsen? Zullen mensen denken die mijn opa kennen. Want veel kletsen doet mijn opa niet. Het is een man van weinig woorden. Opa vraagt ook niet zoveel maar hij vindt het wel leuk als je dingen vertelt. Daarom praat ik altijd de oren van zijn hoofd af. Dat er midden in mijn verhaal dan wordt gezegd: ‘Kijk nou! Wat een wolken’, terwijl hij naar de lucht wijst, dat kan ik dan ook wel hebben. Als ik vervolgens door ga met mijn verhaal en opa opnieuw naar boven wijst: ‘Het gaat zo donderen hoor!’, dan bedenk ik me weleens of opa überhaupt wel door heeft wat ik aan het vertellen ben. Maar áltijd zegt hij dat hij het heel gezellig vond dat ik er was. En of ik snel weer langskom.

Dus ik blijf vertellen, of hij het nu hoort of niet.

Kort geleden was mijn moeder jarig. Ik ging samen met Hem naar het thuisfront en eind van de middag stapten we de auto in om opa op te halen.  Opa had Hem nog niet gezien.

Eenmaal aangekomen bij mijn opa, staat ie al start klaar. Staand achter zijn rollater, met zijn jas en schoenen aan. Ik stel Hem voor aan opa en vind dat toch wel een speciaal moment. Mijn opa is de laatste jaren toch wel achteruit gegaan, het verbaast me dan ook altijd hoe snel hij na een ‘ongelukje’ er weer bovenop komt. Als een kat met negen levens.

Na het voorstelrondje wijst hij naar zijn rollator: ‘dat ding moet mee hoor anders ga ik niet mee.’
‘Opaaaa’, lach ik ‘ik heb toch ook nooit gezegd dat ie niet mee mag.’
‘Oja, oja’, antwoordt hij.

We lopen naar de auto en nog voordat we de auto instappen, verklap ik het nieuws aan mijn opa: ‘Opa! We gaan samenwonen!’ Arme man, allemaal nieuwe informatie verwerken binnen vijf minuten.
‘Zo, zo. En waar dan?’
‘In Amsterdam. Het is vlakbij waar ik nu woon.’
Het is even stil, dan antwoordt mijn opa: ‘Jeetje helemaal daar. Dat is een end weg hoor, Amsterdam.’
Of opa nu vergeten is dat ik al vijf jaar in Amsterdam woon, weet ik niet.
‘Ja dat is wel een stuk verder van hier, maar ik blijf gewoon langs komen hoor.’
‘Hoe hoog is het?’, vraag opa.
‘Twee hoog’, antwoord ik.
‘Ja Anouk, dan kan ik niet langskomen hoor. Mij krijg je die trap niet meer op.’
‘Weet ik opa. Ik blijf toch ook gewoon langskomen.’

Even later zitten we in de auto. Ik zet de muziek wat harder (merkt opa toch niet) en na een tijdje vraag hij uit het niets: ‘Waarom ga je nou naar Amsterdam? Ik kan twee trappen niet op hoor dus ik kan niet langskomen.’ Ik heb het te doen met deze lieve, oude man. Rustig leg ik hem uit dat we er allebei al een paar jaar wonen en dat we het daar heel leuk vinden. Ook werken we in (de omgeving van) Amsterdam. ‘In Den Haag hebben wij nu niet zoveel te zoeken, opa.’ Dat snapt hij wel.

Thuis aangekomen laat ik foto’s van het broertje zien. Hij is nu zo’n acht maanden aan het reizen door Azië.

‘Kijk opa,’ op mijn telefoon scroll ik langzaam door de foto’s.

Opa is onder de indruk, van de foto’s ja, maar misschien nog wel meer van mijn telefoon.

‘Hoe doe je dat nou?’ vraagt hij als ik inzoom op een foto. Ik laat hem zien hoe je kan inzoomen en weer terug gaat naar de foto’s. ‘Probeer maar’, zeg ik. ‘Neejoh dat kan ik toch niet’, antwoordt hij.
‘Jawel opa, probeer maar.’ Het inzoomen lukt en opa zegt: ‘Sven wordt wel echt een grote vent he.’
‘Ja opa, hij is pas 23 geworden’, maar al snel heb ik door dat hij daar niet op doelt. Want als hij nog meer inzoomt op Sven wordt hij nog ‘groter’. ‘Wat een benen!’
Ja opa, wat een benen…

Er komen nog wat opmerkingen voorbij als:
‘Net een aap joh, die Sven.’
‘Wat heeft ie nou op z’n kop gesmeerd?’
‘Jeetje die gozer heeft veel van de wereld gezien.’
en: ‘ZO! Wat een baard heeft die jongen.’

Daarna vertel ik aan mijn opa dat mama binnenkort naar Kenia gaat.
‘Naar Afrika? Oh… Hoezo?
‘Daar gaat ze huizen bouwen.’
Opa kijkt alsof ie een kameel door de achtertuin ziet lopen.
‘JE MOEDER?’, het gezicht dat hij daarbij trekt, zie ik nog steeds voor me: geweldig! Ik schiet in de lach en de tranen rollen over mijn wangen. Ik stoot mijn vader aan, die naast me zit, en vertel wat er zojuist gaande is. Ook mijn vader barst in lachen uit.
Opa stoot mij weer aan. ‘He! Hebben jullie het nou over mij?’

‘Ja opa, u bent zo grappig.’ En als opa ziet dat ik nog steeds hard moet lachen, lacht hij met me mee.

Opa lijkt een leuke avond te hebben. Ik zeg tegen hem dat als hij naar huis wilt, hij het moet zeggen want dan brengen we hem naar huis. Ik kom tot de conclusie dat het best goed met hem gaat, te bedenken dat hij drie weken geleden nog in het ziekenhuis lag. En ik begin over ons bezoekje aan het strand, dat net voor zijn ziekenhuisbezoek plaatsvond.

‘Opa, dat was leuk he, dat we pas naar het strand gingen.’
‘Ja dat was wel even leuk.’
‘En dat ik u in de rolstoel over de boulevard duwde.’
Hij kijkt me aan alsof ik het helemaal verkeerd heb.
‘Anouk, ik was met de rollator hoor.’
‘… opa, ik heb u toch naar boven geduwd.’
‘Ik heb helemaal geen rolstoel, Anouk. Ik was met de rollator.’
‘Oja opa. Dat is waar’ en ik beëindig het gesprek.

Tegen het einde van de avond zegt opa weer dat Amsterdam ‘toch wel echt ver is hoor’. Ik ga me toch een beetje schuldig voelen dat ik dit nieuws er zo heb uitgefloept. Maar ik beloof opa nog een keer dat ik echt wel bij hem langs kom.

Als we opa even daarna thuis brengen, zie ik de rolstoel thuis bij hem staan. Ik zeg maar niks.

Na opa afgezet te hebben, stappen we de auto weer in en het eerste wat Hij zegt is:
‘Wat ben jij een liefie bij je opa.’ Ik grinnik en zeg: ‘Oja? Alleen bij mijn opa?’ en ik steek mijn tong naar Hem uit.

 

‘Help! We worden oud’

Deze zin hoor ik de laatste tijd vaak om me heen. Het is niet mijn opa die dit roept met zijn 88 jaar maar meiden van mijn leeftijd, midden 20. Want ‘help’, we zijn over de helft van de 20 dus gaan langzaam aan richting de 30.

Dit vinden veel mensen – oke, vrouwen – eng.

Zelf heb ik niet zoveel last van het  ‘Help, ik word oud’. Eigenlijk denk ik eerder: jippie ik word ouder.

Nu ben ik al een paar maandjes 25, maar toch wil ik jullie even over de dag vertellen dat ik 25 jaar werd. ’s Middags en ’s avonds had ik plannen gemaakt.

’s Ochtends was ik een beetje in m’n huisje aan het rommelen (of terwijl: niet zoveel aan het doen.)

Oja, wacht ik was muziekjes aan het luisteren. En daar komt het, het nummer van Justin Bieber ‘Life is worth living’, kwam voorbij. Nu hoor ik jullie al lachen natuurlijk bij de woorden Justin en Bieber. En ik kan heel nonchalant zeggen dat dit nummer ‘toevallig voorbij kwam’, maar laat ik gewoon toegeven dat dit niet toevallig was.

Iedereen heeft zo zijn of haar guilty pleasure. Alsjeblieft, hier die van mij.

Oke, verder waar we waren gebleven. Ik had nooit zo goed naar dit nummer geluisterd en ik hoorde die zin uit JB’s mond en en barste in huilen uit. Ja, de Anouk die nuchter is en niet zo vaak huilt, moest nu dus wel huilen met als aanleiding: een nummer van JB. Maar er  was meer, want: terwijl ik die ene zin hoorde, keek ik naar mijn nachtkastje waar het overlijdensbericht van Dennie ☆ stond. Het was drie weken geleden dat hij was overleden en deze dag voelde zo dubbel.

Het waren tranen van blijdschap.

Omdat ik Dennie heb mogen leren kennen. Omdat ik 25 jaar werd. Omdat ik mijn verjaardag weer mocht vieren. En omdat ik zo blij was dat het zo goed met me ging. (ik praat in verleden tijd, maar dit geldt ook voor nu 😉 )

En tranen van verdriet. Ja, natuurlijk ook tranen van verdriet. Omdat m’n maatje drie weken geleden was overleden aan de ziekte die we allebei hebben gehad. Omdat we zoveel aan elkaar hadden gehad en het zo mooi zou zijn geweest als we samen weer het leven konden vieren.

En zo mocht het helaas niet zijn. Niets dat ik daaraan kan veranderen.

Maar, op deze druilerige donderdag wil ik wel even zeggen: ik ben iedere dag blij dat ik weer een dagje ouder word. En ik hoop dit nog heel lang te mogen zeggen. En oke, ik hoop stiekem dat jullie dit ook doen. Al is het maar voor Dennie ☆.

Hé Anouk, ben je niet bang dat…

Voor je begint met het lezen van dit artikel: het is lang. Het bestaat namelijk uit twee stukken. Het eerste stuk heb ik een paar weken terug geschreven. Het tweede stuk heb ik deze week geschreven. Dus, laten we beginnen bij de vraag die mij een paar weken geleden lichtelijk begon te irriteren.

Hé Anouk, ben je niet bang dat…

… het terug komt.
… je weer ziek wordt.
… je weer kanker krijgt.

Komt natuurlijk allemaal op hetzelfde neer.

Om even te beginnen, dit artikel is niet bedoeld om boos over te komen – want dat is absoluut niet mijn bedoeling – de mensen die dit vragen bedoelen dit natuurlijk niet verkeerd.  Dit artikel schrijf ik om uit te leggen hoe deze vraag voor mij is.

De mensen die deze vraag stellen, zijn meestal ook mensen die wat verder van me af staan dus eigenlijk ook niet zo goed weten wat er precies is gebeurd. Daarnaast kent (helaas) bijna iedereen wel iemand die deze ziekte (heeft) gehad en zo trek je aan de hand van die verhalen snel conclusies.  Dat snap ik best. Maar de bovenstaande vraag, is geen leuke vraag.

Bij mij zit het dus zo. Om het te hebben over wat ik heb meegemaakt, vind ik prima. Wat gebeurd is, is gebeurd. Maar om nu over de vraag na te denken of ik dit nóg een keer ga meemaken. Daar wil ik liever niet over nadenken en dat doe ik dus ook nooit.

Maar de laatste tijd krijg ik deze vraag  best vaak. En dat had ik eigenlijk niet verwacht. Of nouja wat is verwachten, ik wist sowieso niet wat ik hiervan allemaal moest verwachten en dat is maar goed ook.

Mijn antwoord op deze vraag, floep ik er zo uit zonder ook maar even na te denken: ‘Nee. Ik word nooit meer ziek.’ De meesten vallen dan een beetje stil of weten niet zo goed wat ze moeten zeggen. Ondanks dat zal ik altijd antwoord geven en vriendelijk blijven maar ik denk dan ook: ‘Wat verwacht je als antwoord op deze vraag?’

Daarna vervolg ik mijn antwoord: ‘…niet meer ziek op deze manier dan, de kans dat ik een ander vorm krijg van kanker bestaat natuurlijk,  maar deze vorm komt niet terug.’ Punt.

Meestal sta ik versteld van mezelf. Hoe overtuigend ik dit zeg. Maar ik geloof het wel écht.

Dit zeg ik niet om stoer te doen want natuurlijk heb ik ook mijn onzekerheden en die ga ik nu ook gewoon delen. Komtie: Een half jaar na mijn chemo’s voelde ik een pijn onder oksel. Ik durfde het tegen niemand te zeggen alleen tegen Dennie ☆. Gelukkig had ik vrij kort daarna een afspraak in het ziekenhuis. Niks aan de hand zeiden ze, maar ik bleef het in de gaten houden. En inderdaad een paar dagen daarna was het weg. Iets van spierpijn ofzo zal het wel geweest zijn…

En zo heb ik ook weleens van die momentjes met mijn buik. Voorheen lette ik niet zo op buikpijn maar nu… ik bedenk me meteen wat ik heb gegeten, wat ik heb gedaan en zo ga ik een checklist af. Dit deed ik eerst ook nóóit en als je niet ziek bent geweest op deze manier doe je dat sowieso niet, denk ik. Maar ik wil mijn lichaam begrijpen en een eventueel volgende buikpijn volgende keer voorkomen.

Oke. Terug naar: ben je bang dat, want ik dwaal af. Ik heb het door. Wat ik nu aan jullie vertel, deelde ik laatst ook met mijn moeder. Ze zei: ‘Toevallig vroeg iemand mij laatst of ik niet bang ben dat het terug komt bij jou. Maar ik zei dat ik jou hier nooit over hoor dus dan zijn wij hier automatisch ook minder bang voor.’

Heerlijk vind ik dat om te horen. Dat je zelf dus kan bepalen hoe mensen over een situatie denken. Naast een positieve instelling laten de statistieken ook zien dat dit wat ik het gehad, zelden tot nooit meer terug komt. Win-win situatie.

Natuurlijk besprak ik deze vraag ook met vriendinnetjes. Sanne:’Weet je wat me ook opvalt. Jij bent nooit bang voor een controle. Veel mensen zijn bang als ze voor controle langs moeten komen maar jij niet.’ Ook weer zo’n ding waar ik dus niet bij nadenk. Ik vind het fijn om regelmatig op controle te komen want dan heb ik weer de bevestiging dat alles goed zit. Zo denk ik. De CT-scan vind ik nog een beetje spannend maar dan denk ik: ‘Anouk je ligt onder zo’n ding, haalt een paar keer goed adem, je krijgt gekke vloeistof binnen en je bent er weer uit.’ Als je dit al een paar keer hebt gedaan, stelt het eigenlijk ook niets voor. Relativeren en nuchter denken, is wel mijn ding.

En nogmaals. Dit is niet om stoer te praten maar dit voel ik gewoon écht zo.

Dus… ik wil met alle liefde praten over je favoriete Indische restaurant of je nieuwe groene bankstel. Maar die ene vraag, die hoeft van mij niet perse 😉 .

 

Goed. Het bovenstaande is dus het stuk dat ik een aantal weken geleden schreef. Nu moest ik deze week naar het ziekenhuis voor een CT-scan.
Shannon: ‘Zal ik anders gewoon meegaan?’
Anouk: ‘Neejoh is midden op de dag, komt wel goed.’
Shannon: ‘Laat weten als je wel wil dat ik meega he!’
Anouk: ‘Ja doe ik.’

Een dag voor de scan. ‘Oja morgen heb ik die scan. Ik moet niet vergeten om die vloeistof te drinken.’
Hij: ‘Zal ik anders meegaan?’
‘Nee, hoeft niet, komt goed.’
Diezelfde ochtend heb ik het er nog met hem over maar nee, hij hoeft echt niet mee.

Maar dan: laat het nu zo zijn dat ik de afgelopen twee weken ziek was, ik lag te hoesten als een zeehond en had een paar dagen slecht geslapen want meneer hoest hield me wakker.

Agh ja, een hoestje. Maar toch ging er stiekem even van alles door mijn hoofd. En toen ik twee uur voor het onderzoek weer begon te hoesten, bekroop me toch een naar gevoel. Ik belde hem.

‘Uhmmmm, misschien een beetje een stomme vraag… maar kan je misschien toch mee?’
‘Ja tuurlijk, doe ik. Hoe laat bij jou?’ Fijn dit.

En zo kwam het dat we een uur laten samen op de fiets zaten, op weg naar het ziekenhuis.

Hij: ‘Wat gaan ze dan precies doen?’
Ik: ‘Een CT-scan.’
Hij: ‘Kan ik daar bij zijn?’
Ik: ‘Nee, dat kan niet.’
Hij: ‘Oke…’
Ik lichtelijk geïrriteerd: ‘Ja dus je rijdt nu alleen met mij mee om vervolgens te wachten in de wachtkamer… En als je daar geen zin in hebt, ga je maar weer terug!’

Hij kijkt me aan en zijn wenkbrauwen schieten omhoog. Hij maakt een klauw van zijn hand, steekt die naar me uit en zegt: ‘Wrauuuw.’

Dat doet hij wel vaker als ik kattig reageer en ik schiet in de lach.

Ik zucht en zeg: ‘Sorry, ik weet het ook even niet. Ik wilde dit gewoon alleen doen en toen kreeg ik net zo’n raar gevoel en wilde ik toch dat je meeging en dan voel ik me zo’n ei omdat ik ook gewoon alleen had kunnen gaan… en dan reageer ik zo.’
Hij: ‘Geeft toch niet, ik ga graag met je mee als jij dat wil. Ik ben gewoon benieuwd hoe dat gaat.’
Ik: ‘Uhu, ja snap ik.’

Eenmaal in het ziekenhuis aangekomen, ben ik snel aan de beurt. Ik ga liggen en het infuus gaat in mijn arm. Alleen mijn infuus doet pijn en uit ervaring weet ik dat dit niet hoort. ‘Kunt u mijn infuus eruit halen en opnieuw prikken, het zit echt niet lekker.’
‘Laten we even kijken hoe het gaat als we de vloeistof erdoor laten vloeien… Hoe voelt het? Het duurt maar even.’
‘Oke, ja gaat wel. Doe maar.’ Ik voel het vloeistof stromen en ik word helemaal warm van binnen – effect van de vloeistof – en de vrouw heeft gelijk: het is zo voorbij.
‘Kunt u helpen met mijn arm naar beneden te brengen, dat lukt niet zo goed.’ Je moet je armen altijd omhoog houden tijdens de scan. Omdat ik hierna bloed moet prikken wordt het infuus erin gelaten, zo hoeven ze niet nog een keer te prikken en kan er meteen bloed afgenomen worden, want laat prikken nu niet mijn favo onderdeel zijn van een ziekenhuisbezoek. Ze helpt me met mijn infuusarm en ik ga naar de kleedkamer. ‘Uhm, misschien een rare vraag maar kunt u me helpen mijn bh aan te doen… dat gaat niet zo goed met het infuus.’ Ze probeert me te helpen maar door het infuus kan ik mijn arm amper bewegen dus al snel besluit ik dat dit geen goed plan is. ‘Hmm, laat anders maar, ik ga eerst wel bloed prikken.’ Ik loop de wachtkamer in, heel charming met mijn bh in mijn andere hand. Gniffelend loop ik naar hem toe. Ik prop mijn bh in mijn tas en vraag of hij nog even mee wil met bloedprikken.

We lopen naar mijn oh zo gevreesde afdeling en ik trek een nummertje.

Het infuus begint meer en meer pijn te doen en ik houd mijn arm heel onhandig. De gastvrouw komt naar me toe en vraagt of het wel goed met me gaat. ‘Je infuus zit er een beetje onhandig in he? Je houdt je arm vreemd.’
‘Uhu ja klopt ik heb net een CT-scan gehad en moet nog bloedprikken, het doet pijn.’
‘Gaat het wel?’
Oke en dan ben ik toch maar even eerlijk. ‘Nou, nee eigenlijk niet. Ik voel me niet zo goed.’
‘Blijf zitten. Ik haal er even iemand bij.’ Ze wijst naar hem ‘houd jij haar goed vast!’

Al snel komt de gastvrouw terug met een verpleegster. De verpleegster neemt me mee naar een stoel waar een verpleger start klaar zit om bloed van me af te tappen. De  gastvrouw vraagt nog: ‘Zal ik een rolstoel voor je pakken? Als je niet kan lopen moet je het zeggen he! Je hoeft je niet groter te houden dan je bent!’

Die laatste zin. Ja die laatste zin beschouw ik op dat moment als de les van de dag.

Of het nu gaat om alleen naar het ziekenhuis gaan of om een infuus dat eigenlijk gewoon helemaal kut zit. – ja sorry hoor, gewoon waarheid. –

Maar het lopen gaat wel en binnen een paar minuten is er bloed afgenomen. Stiekem ook wel fijn want nu hoef ik geen half uur te wachten, hehe. Elke nadeel heeft zijn voordeel.

De gastvrouw komt nog even naar me toe en vraagt of ik niet even op een bed wil liggen. Ik bedank haar vriendelijk en we lopen naar het ‘café’.
Hij: ‘Wat zijn ze hier allemaal aardig!’
Ik: ‘Ja dat valt op he! Er kan altijd iets misgaan maar ze zijn hier zo behulpzaam. Ook net toen we in de wachtkamer zaten en dat ze langskomen met koffie en thee. Echt lief en het is een klein gebaar.’

We gaan ergens zitten en ik zeg: ‘Je bent stil.’
Hij: ‘Ja… Ik ben weleens in een ziekenhuis geweest maar dit is toch wel anders…’
‘…met die kale hoofden en pruiken.’, maak ik zijn zin af.
‘En dat het voor jou is, ook wel gek eigenlijk.’ Hij kijkt nog eens rond.
‘Eigenlijk vind ik het ook wel fijn dat je dit een keer hebt gezien. Ik moet hier sowieso nog jaren heen voor controle en ben hier zoveel geweest.’
‘Snap ik wel. Ik vind het ook fijn dat ik dit nu heb gezien.’

En zo zitten we nog even zwijgend om ons heen te kijken, wachtend op het volgende onderzoek…

Waarom ik deze stukken onder elkaar heb geplaatst?
– Eerst dacht ik totaal niet na over dat ik nog een keer ziek kan worden. Het kwam simpelweg niet bij me op en ik was er nooit mee bezig, ook tijdens ziekenhuisbezoeken niet. Door vragen van andere werd ik aan het denken gezet en schreef ik het eerste artikel. Hiermee wilde ik een punt maken. Daardoor was ik er opeens wel mee bezig,  terwijl ik dit helemaal niet wilde zijn – het brein is iets geks -.
– Maar om vervolgens het tweede verhaal niet te vertellen – de kwetsbare Anouk – vind ik een beetje scheef. Dus ja, jullie mogen ook best weten dat ik deze week toch wel gemengde gevoelens had over de scan.

Goed. Alvast een stapje verder naar de uitslagen: mijn bloed zag er goed uit en het onderzoek dat daarna volgde was ook in orde. Nu ik alles weer beter kan relativeren weet ik ook wel dat het goed zit en dat ik ook gewoon een irritante hoest van twee weken kan hebben.

,

Komt goed mama, met dit meisje.

Goeeed, dan heb je dus ontdekt dat je voor jezelf wilt beginnen en je bent lyrisch enthousiast maar wat vindt de rest van je omgeving ervan… Ook best belangrijk toch?

Dat Hij het een goed idee vindt, hoef ik na mijn vorige blog denk ik niet meer te vertellen. Wel heel fijn dat hij een paar maanden na deze uitspraak er nog steeds zo over denkt en ik kan sparren over dingen waar ik tegenaan loop.

Mijn vriendinnetjes vinden het echt bij me passen en een hele goede stap: “Hoe gaat het met Miss Freelance?” kreeg ik laatst al te horen. Het sparren doe ik trouwens ook met sommige vriendinnetjes. Eigenlijk met wel meer mensen, ik denk dat het juist belangrijk is om het met mensen hierover te hebben. Je plannen maar ook je onzekerheden. Ze kunnen net dat ene dingetje zeggen waardoor je weer een stapje vooruit kan zetten.

En dan mijn ouders. Het idee om te gaan freelancen, had ik eerst even geappt. Dan kan het even aankomen en konden we er later over bellen. Mijn vader appte al snel:

“Moet je zeker doen. Je wilde vroeger altijd al eigen baas zijn. Groet en kus pap.”

(mijn vader zet in persoonlijke appjes naar mij groet en kus pap. Vind ik leuk.)

Haha, ‘eigen baas’. Precies hoe ik dat vroeger altijd zei, ik kreeg meteen een flashback. Winkeltje spelen, kantoortje spelen, ja dat vond ik wel wat. Maar ook zat ik als mini Anouk ’s avonds op de bank met een glaasje water en een kammetje om het haar van mijn ouders ‘in model’ te brengen. “Neee, stilzitten nu is ie weer scheef!” Jep, zoiets ja. Toen ik iets ouder was, kwam het idee voor een eigen kapsalon. Ik had de plattegrond al getekend en ik kon goed haren invlechten, ik dacht dat ik er wel was zo. Uiteindelijk bleek ik de mediawereld ook best leuk te vinden 😉

Terug naar nu, naar mijn moeder. Mijn moeder is ook trots, dat weet ik. Maar ze vindt het allemaal best wel spannend. De eerste week na mijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel vroeg ze: “En!? Heb je al opdrachten?”.  “Maaahaaaaam”, ja dat doe je ook nog op je 25e. Heb je dus je schoolcarrière achter de rug, wordt er niet meer naar je scriptie gevraagd en dan dit.

En ik kan haar ook geen ongelijk geven, maar ik had het gevoel dat ik haar even iets moest uitleggen.

“Oke mam ik ga iets uitleggen. Ik wil eerst mijn website spik en span en daarna ga ik me focussen op de opdrachten.  Als ik me nu al op opdrachten ga focussen, willen mensen werk van me zien, een site of in ieder geval IETS. En als ik dat niet heb, is dat heel stom.” Alsof je een huis gaat bouwen en bij de tweede verdieping erachter komt dat de begane grond op instorten staat omdat de basis niet goed is. Ik weet verder niets van huizen bouwen en daar ligt verder ook geen ambitie van mij maar ik vind het  best een goed voorbeeld.

Oke, oke dit klonk wat logischer voor mijn moeder. Maar alsnog vindt ze het heel spannend. Want stel dat het niet lukt. Én het is – vooral in het begin –  best onzeker. En je hebt geen vast inkomen. En je loopt meer risico. Allemaal waar… behalve dat niet lukken.

“Mam, het lukt wel. Dit is wat ik wil doen en ik doe dit het allerliefst dus ik ga alles op alles zetten zodat het lukt. Het kan niet, niet lukken. Het gaat gewoon werken. En op welke manier en hoe lang het duurt, dat zien we wel.”

Mensen die kritisch zijn in je leven, zijn heel belangrijk. En ik weet waarom mijn moeder zo reageert – vooral in het begin – want ik kan soms best een beetje impulsief zijn en vooral na een hectische tijd is het dan best fijn als alles ‘normaal’ is met je kind. Gelukkig hebben mijn ouders ook wel door dat het bij mij altijd net een beetje anders gaat dan bij de rest, maar dat maakt het leven ook wel weer heel mooi.

Komt allemaal goed mama, met dit meisje. ♥

He he, ik mag weer bloggen van mezelf

Mensen die mij 1 tot 1,5 jaar geleden volgden, weten dat ik toen ontzettend veel blogde over hoe ik me voelde tijdens mijn ziekte. En dat bloggen vond ik ontzettend fijn om te doen. Na een tijdje voelde dit een beetje vreemd, want de chemo’s lagen alweer een paar maanden tot een jaar achter me. Maar zelf was ik nog ontzettend veel bezig met mijn ziekte, op verschillende vlakken:

Mijn uiterlijk: verschrikkelijk vond ik dat korte haar.
Lichamelijk: heel erg moe zijn en veel rusten.
Mentaal: mijn hoofd draaide overuren.

En dan nog het sociale aspect (waarover een volgende keer meer). Naar sociale gelegenheden gaan, vond ik écht niet leuk.  Aan de ene kant wilde ik dat iedereen gewoon normaal tegen me deed, aan de andere kant voelde ik me verre van normaal. Lekker tegenstrijdig, ja.

Ik voelde me van een andere planeet en snapte geen snars meer van de wereld.

Nu kan ik me dat niet meer voorstellen maar ik weet dat ik dit ooit heb opgeschreven. Ook bloggen wilde ik niet, want wat moest iedereen met mijn zielige, buitenaardse ik-snap-er-helemaal-niets-meer-van verhalen.

Na een tijdje begon ik te begrijpen dat wat ik heb meegemaakt, heel mijn leven heeft veranderd. Klinkt best logisch als je het zo leest maar wat ik wilde, was gewoon weer ‘normaal’ zijn -wat dat dan ook mocht betekenen-. Maar de Anouk van voordat ik ziek werd, word ik niet meer. En dat hoeft ook niet. Dat wil ik ook niet.

Pas achteraf zag ik dat ik dat jaar na mijn chemo niet goed in mijn vel zat. Op zich niet gek – hallooohooo, je hebt kanker gehad op je 23e, wat denk jij nou –. Maar op het moment dat ik aan het herstellen was, dacht ik dat ik al die sociale dingen zoals feestjes en verjaardagen gewoon niet meer wilde, nooit meer.  Terwijl ik eerst tegen alles praatte dat maar een teken van leven gaf – ook dingen die niet leven trouwens, ik praat ook weleens tegen voorwerpen,  maar dat is weer een ander verhaal- .

En dan de quote die eigenlijk alles omschrijft en dat bedoel ik heel lief en absoluut niet hatend:

Sometimes the people won’t understand your journey. They don’t need to, it is not for them.

Deze quote deed echt iets met me. Alles een plekje geven en het accepteren.  Toevallig had ik het er gisteren met Shannon over -iemand die er héél veel voor me is geweest – en nog steeds – en waar ik altijd van die heerlijke diepzinnige gesprekken mee heb – ze zei dat ze inderdaad niet zal snappen wat ik heb meegemaakt en hoe ik me toen voelde/voel – ook al deed ik heel erg mijn best met mijn blog 😉  – maar dat is ook logisch. Maar ze vraagt er wel naar en luistert. En ik denk dat dat toch wel het belangrijkste is. Je hoeft elkaar niet altijd te begrijpen als je er maar voor elkaar bent.

Gelukkig zijn er nog meer kanjers in mijn leven naast Shannon.

He pffff, dat is eruit. Ik mag van mezelf weer bloggen.  Ook over wat ik heb meegemaakt want uiteindelijk heeft dat me gevormd tot wie ik ben en daar ben ik super mega trots op. LIEFS ♥

Mijn keuze voor freelancen

Een eigen website, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, met verschillende ondernemers spreken en ga zo maar door. Want het is een feit: sinds augustus ben ik freelance copywriter en journalist. Maar daar ging nogal wat aan vooraf…

Want de afgelopen tijd was ik zoekende naar een baan. Voor mij had mijn periode van niet werken te maken met herstellen van mijn ziekte. Dit heb ik gedaan en hier heb ik de tijd voor genomen maar nu ik me weer helemaal goed voel,  kon ik niet wachten om weer aan de slag te gaan.

Maar ik wist niet zo goed wat ik precies wilde dus bracht ik dagen door, opzoek naar vacatures. Van sommige vacatures werd ik ontzettend enthousiast en zag ik mezelf al helemaal ergens aan de slag gaan. Mijn lichaam schreeuwde: ‘JA IK VIND DIT LEUK EN IK WIL DIT ZO GRAAG!’.

Dat nog 80 andere sollicitanten er ook zo over dachten, is een feit.

Na een tijdje word je iets minder kieskeurig en ga je ook op vacatures solliciteren die je op zich wel leuk vindt. En daarna heb je nog de categorie ‘vacatures die niet echt Anouk zijn maar mezelf wel aanpraten dat dit heel goed bij me kan passen.’ Op zo’n moment verzin ik dus argumenten waarom dit leuk is voor mij.

Ik kan je vertellen: word je niet blij van. Niet leuk voor de ander en al helemaal niet leuk voor jezelf. Wat daarna bij mij kwam is vooral frustratie naar mezelf. Want waarom probeer ik mezelf te overtuigen om iets leuk te vinden?

Stiekem wist ik het antwoord wel; dit zou het laatste stukje zijn dat ik nog wilde oppakken in mijn ‘nieuwe’ leven, het werken.

En toen maakte Hij –  na mijn ratelbui over dat ik mezelf banen aanpraat en waarom ik dit doe –  deze opmerking: ‘Waarom ga je niet freelancen?’

Hij stond daar – zo relaxt – terwijl ik hem vanaf de bank met een schuin hoofd aankeek. En toen, alsof er een heel groot lampje ging branden. Dit was het. Dit moest ik doen.

Na zijn opmerking kwam er het volgende in me op en ik sprak het hardop uit: ‘Als ik al het geld en de vrijheid had om te doen wat ik maar wilde, dan zou ik hiervoor kiezen.’  Op dat moment wist ik dat dit de juiste beslissing was. Hij keek me aan alsof ie dat allang wist maar ik het zelf nog even moest ontdekken.

Soms heb je even dat duwtje in je rug nodig.

Ik had er wel eerder over nagedacht om te gaan freelancen maar had deze optie altijd als iets gezien dat ik in de toekomst moest doen. Maar waarom ook wachten? Toen ik me er goed in had verdiept – want naast dat het goed voelt moet je ook even met je verstand ernaar kijken – kon ik alleen maar concluderen dat dit een hele goede keuze zou zijn.

Wat een opluchting is deze stap. Dit is wat ik wil en ik ga het nú doen want het leven wacht niet. Ja maar Anouk wát ga je dan precies doen? Klik maar hier: anoukarkesteijn.com

 

Pokemons vangen met opa in Kijkduin – of toch niet

Mijn opa is bijna 88. Maar dan ook echt bijna, nog een weekje. Hij is een tevreden man, woont nog thuis en is er goed bij met zijn koppie. Hij onderneemt niet veel, hij is blij als hij thuis is en als de familie langskomt.

Een paar weken terug bedacht ik me: ‘Hé, laat ik opa een middagje meenemen naar het strand.’ Enthousiast vertelde ik mijn ouders van mijn plannetje. Mijn moeder zei al snel: ‘Succes Anouk. Dat hebben er al meerdere geprobeerd maar is niet gelukt.’ Dit gaf mij natuurlijk nog meer motivatie om mijn plannetje te laten slagen. Dus ik opa bellen.

Als ik opa bel, weet ik dat ik heel veel geduld moet hebben. Soms duurt het wel drie minuten voordat hij opneemt. Bij anderen had ik allang de hoorn erop gelegd maar bij mijn opa zijn hier speciale regels voor. Geduld hebben dus. En dan eindelijk:
‘Arkesteijn!’
‘Hoi opa, met Anouk.’ Als ik met mijn opa bel, praat ik hard en langzaam.
‘Ja?’
‘Hoe gaat het met u?’
‘Goeeed.’
‘Mooizo, met mij ook.’ Aan de telefoon is mijn opa altijd heel praktisch. Hij geeft antwoorden op je vragen en ik denk dat hij verder denkt; waarom bel je?
‘Ik bel omdat ik een heel leuk idee heb. Vrijdag wordt het mooi weer en dan ben ik in het Westland. En ik dacht: laat ik eens met opa naar het strand gaan!’
‘Ooh!’ het is een verraste ‘oh’ waar ik verder niet veel uit kan opmaken. Maar ik ken mijn opa langer dan vandaag.
‘Ja leuk he! Dan gooien we de rolstoel achterin de auto en dan gaan we naar de boulevard van Kijkduin.’
‘Ja ik weet het niet hoor.’
Enthousiast: ‘Hoezo niet opa! Leuk toch?! Lekker frisse zeelucht en ook nog eens mooi weer.’
‘Ja maar ik loop niet zo snel, ik ben al bijna 88.’
‘Ja dat weet ik opa! Wij komen ook op uw verjaardag, leuk he. Maar over het strand: u hoeft niet te lopen he, want ik duw u in de rolstoel.’
‘Ja nou, we zien wel.’
‘Oke, ik weet wat. Ik bel u vrijdagochtend op en dan kijken we verder, oke?’
‘Ja, want ik weet het nog niet hoor.’
‘Dat is goed, ik spreek u vrijdag. Doei!’
‘Ja doei Anouk.’

Vrijdagochtend aan de telefoon
‘Hoi opa, ik kom u zo ophalen want we gaan naar het strand.’
‘Oh. Maar ik heb net al een rondje buiten gelopen…’
‘Nou goed toch! Dan gaan we zo naar het strand, bent u lekker veel buiten vandaag, het is ook nog eens prachtig weer.’
‘Nou ik weet het nog niet hoor.’
‘Oké… maar dan blijf ik niet zo lang opa. Want ik heb zelf wel heel veel zin om naar het strand te gaan dus dan ga ik alleen.’

Wat vind ik dit gemeen om dit te zeggen maar ik meen het wel. En stiekem hoop ik dat het een beetje helpt in zijn besluit.

‘Oh…’.
Ik besluit de knoop door te hakken.
‘Als ik om 15.00 uur bij u ben, dan kunnen we meteen door naar het strand, ja?’
‘Nou we zien wel.’
‘Ja is goed opa, tot zo, gaan we lekker naar het strand.’

Nu denken jullie misschien dat ik deze gesprekken overdrijf maar in werkelijkheid duren deze gesprekken langer met meer nou-we-zien-wel zinnetjes van mijn opa en nog meer overtuigende zinnen van mij.

En nee dit is niet zielig voor mijn opa want ik weet dat als hij er is dat hij het wel leuk vindt. Mijn opa heeft gewoon een duwtje in zijn rug nodig. Of meerdere duwtjes. Heel veel duwtjes!

Om 15.00 uur sta ik bij mijn opa voor de deur. ‘Kijk opa het was bewolkt en nu breekt de zon door! Tijd om naar het strand te gaan.’ Mijn opa lacht voorzichtig en hij begint te treuzelen. Iets dat ik nooit zie bij mijn opa want meestal zit hij startklaar als ik hem kom ophalen. Is hij aan het terugkrabbelen? Hij wil eerst nog water drinken, twijfelt of hij een jas mee moet nemen en net als we de deur uit willen moet hij toch nog naar de WC. Ik til de rolstoel alvast in de auto en als hij van de WC komt, zeg ik: ‘Nu alleen u nog opa, de rolstoel is al in de auto.’ Er is geen weg meer terug. Terwijl hij naar de auto loopt met de rollator zegt hij: ‘Maar Anouk, de rollator moet ook mee hoor. Anders kan ik niks.’ ‘Nee opa, u heeft de rolstoel dus u heeft geen rollator nodig.’
‘Oja’, om na vijf secondes te zeggen: ‘maar Anouk ik kan echt niks zonder rollator hoor, die moet mee.’
‘Opa. U heeft de rolstoel, ik duw u en u hoeft niets te doen.’
‘Oja oke… nee maar ik wil ‘m toch mee.’
Ik zucht diep in mezelf en probeer tot tien te tellen, stiekem moet ik ook lachen om die eigenwijze opa van mij. ‘Oke opa, ik ga het proberen maar als het niet past dan gaan we zonder de rollator oké?’ ‘Ja is goed.’ Na gezucht en geduw krijg ik het niet voor elkaar –eerlijk waar ik heb het echt geprobeerd -.
‘Opa het lukt niet, ik zet hem in uw huis neer.’
‘Oja is goed hoor’, alsof hij nooit heeft aangedrongen. Mijn wenkbrauwen schieten omhoog en tegelijkertijd moet ik zachtjes lachen en schud ik mijn hoofd. Typisch dit.

Eenmaal op het strand aangekomen, duw ik hem een stuk naar boven. ‘Lukt dat wel Anouk?’ Echt makkelijk gaat het niet, maar dat geeft niet. En het laatste wat ik doe, is dat laten merken aan mijn opa. ‘Ja gaat goed opa, ik ben hartstikke sterk, dat weet u toch.’ Hij lacht zijn typische lachje en ik duw hem verder omhoog. Eenmaal boven aangekomen, zien we ontzettend veel mensen. Eerst denk ik dat het wel aan het weer zal liggen. Maar als ik goed kijk zie ik iedereen met zijn/haar telefoon. ‘Ohnee’, denk ik ‘zijn al deze (volwassen) mensen Pokémon aan het vangen?’ Als we een stukje verder lopen hoor ik Pokémon namen vallen en dan weet ik het zeker. Op zo’n moment schaam ik me dus ontzettend voor ‘de mensheid’ en tegenover mijn opa voor ‘mijn generatie’.

Mijn opa heeft nog niets door, behalve dan dat het hem opvalt dat het heel druk is. Als we de zee zien, zegt hij verwonderlijk: ‘Wat een grote plas he!’
‘Nou hé opa en wat is de zeelucht fijn!’
Aan de manier waarop hij praat, hoor ik meteen dat hij het naar zijn zin heeft. Daar ben ik heel blij om want ik ging me bijna schuldig voelen omdat het voelde alsof ik hem dwong mee te gaan. We lopen langzaam over de boulevard en de mensen die niet op hun telefoon kijken (welgeteld drie personen) knikken en  glimlachen naar me. Waarschijnlijk omdat een jong persoon met een ouder persoon aan de wandel is? Als we even later langs twee omaatjes wandelen, valt het me op dat ze even stil zijn, daarna hervatten ze hun gesprek weer. Waren ze nou mijn opa even aan het checken? Flirten oudere mensen ook nog steeds met elkaar? Ik grinnik om mijn eigen gedachtes.

Gek eigenlijk dat het zo ‘bijzonder is’ dat ik mijn opa voortduw in een rolstoel in Kijkduin terwijl iedereen Pokémon aan het vangen is. Wat een verhouding… het zou toch andersom moeten zijn?

Even later parkeer ik hem op een plekje waar we nog beter de zee kunnen zien. Hij kijkt uit over de zee en houdt zijn hand vlak boven zijn ogen, zoals een echte avonturier. Ik pak snel mijn telefoon (durf het bijna niet te zeggen) en maak een foto. We blijven nog even staan en dan zegt mijn opa: ‘Het lijkt wel een ziekte he Anouk, al die mensen met hun telefoon.’ Ik twijfel even, zal ik vertellen wat voor spelletje ze aan het doen zijn? Al snel besluit ik het niet te doen. Hoe moet ik aan een bijna 88-jarige man uitleggen dat deze mensen zogenaamde, niet bestaande beesten aan het vangen zijn die hier rondlopen. Nee niet echt rondlopen opa, maar op hun scherm. En wat je er dan uiteindelijk mee kan? Nee niks opa. Mensen vullen daar heel hun dagen mee, ze gaan niet naar het strand voor de zee maar om Pokémon te vangen.

Ik moet zeggen dat ik er verder weinig van weet en wil dat graag zo houden. Nadat we over de zee hebben uitgekeken, gaan we ergens op een terrasje zitten, drinken een drankje en lopen daarna richting de auto.

‘Zo nu moet je me goed vasthouden he! Is dat niet zwaar, de heuvel af?’
‘Nou, ik dacht eraan om de rolstoel los te laten dan gaat u vanzelf naar beneden. Goed plan toch?’
‘Ja hoor!’, zegt hij op een manier alsof ie me écht niet gelooft en hij lacht. Grapjes maken met mijn opa is leuk.

Als we in de auto zitten, zeg ik:’Dat was leuk, toch opa?’
‘Ja het was heel leuk, ik was al lang niet op het strand geweest.’
‘Gaan we gewoon nog een keer.’
‘Ja hoor’, weer zo’n ja hoor alsof ie me echt niet gelooft. ‘Vind jij het ook leuk dan?’
‘Ja natuurlijk vind ik het leuk opa, anders vraag ik u toch niet mee.’ Ik begin een beetje door te krijgen hoe mijn opa hierover denkt en ik vervolg het gesprek: ‘Ik vind het heus niet erg om die rolstoel te duwen. En dat vindt niemand van de familie erg. We vinden het leuk om ergens met u heen te gaan.’
‘Oke, oke… Vroeger ging ik altijd naar het bos.’
‘Dan gaan we gewoon een keertje naar het bos, dat vind ik ook leuk.’
‘Ja, dat vind ik ook leuk.’

Met een big smile zit ik achter het stuur. Zo fijn om mijn opa blij te krijgen met zoiets simpels. Als we bij hem thuis aankomen, loop ik alvast naar het huis om zijn rollator te pakken zodat hij zelf naar binnen kan. Terwijl ik de sloten van de deur openmaak, worden de gordijnen van binnenuit weggeschoven.

Een seconde schiet er door me heen dat ik bij het verkeerde huis ben. Ik doe de deur open en er staat een onbekende vrouw binnen. Ze is aan het bellen.

Nonchalant loop ik naar binnen en pak de rollator. Ik kijk haar vragend aan. ‘Oh er komt nu een jonge dame binnen’, hoor ik haar aan de telefoon zeggen.
‘Heeft u meneer Arkesteijn bij u?’, vraagt ze mij.
‘Ja, ik heb meneer Arkesteijn bij me, hij zit in de auto’, zeg ik grinnikend. Ik hoor haar de informatie doorgeven aan de persoon aan de andere kant van de lijn.
‘Ik ben zijn kleindochter’, zeg ik vriendelijk als ze me nogmaals drie keer jongedame heeft genoemd – dat klinkt namelijk alsof je dan iets fouts hebt gedaan en in principe heb ik alleen mijn opa even meegenomen naar het strand-.
‘Oh ze vraagt of je Anouk bent?’, zegt de vrouw tegen me. ‘Ja, dat ben ik. Ik heb opa ontvoerd naar het strand.’ Meteen hoor ik ook dat de persoon aan de andere kant van de lijn mijn tante is.
De vrouw is van de thuiszorg, ze legt uit dat ze iedere dag bij mijn opa langskomen tussen 17.00 en 18.00. Oeps. Dat is iets waar ik me niet mee bezighoud en helemaal niet over na heb gedacht. Ik loop naar de auto met de rollator om deze aan opa te geven.
‘Opa u bent populair vandaag. Er staat iemand van de thuiszorg op u te wachten, we zijn een beetje te laat.’
Mijn opa lacht zijn opalachje en zegt: ’Oja, oja’, en samen lopen we naar binnen. Stiekem denk ik dat hij wel wist dat de thuiszorg langs zou komen. Een beetje een rebel is mijn opa wel en dat is best leuk.

, ,

Psst… Wees lief voor jezelf

De trend #fitgirl.

Ik heb het een tijdje, met een schuin hoofd, vanaf de zijlijn bestudeerd. Toch wil ik er, zoals velen met mij, ook even mijn zegje erover doen. Komtie:

Onder fitgirl versta ik zelf: ‘fitte’ meiden die gezond eten, veel sporten en die dit graag online laten zien.

Klinkt fantastisch. In eerste instantie kan ik deze trend alleen maar toejuichen. Goed voor jezelf zorgen door gezond te eten en te sporten: daar kan niets mis mee zijn toch? Als vrienden mij zouden omschrijven, zouden ze ook zeggen dat ik gezond leef. En ja, ik sport ook bijna elke dag. Als ik een paar dagen niet sport, gaat het kriebelen en word ik onrustig. Van deze levensstijl krijg ik energie, het voelt goed en ik voel me beter dan ooit. En natuurlijk is het fijn dat je hierdoor lekker in je vel zit (letterlijk en figuurlijk).

En hier komt het dingetje waar ik soms met half dichtgeknepen ogen naar kijk.

Het gaat voor mij een tandje verder als je iedere kiwi of geperfectioneerd ontbijtje op Instagram deelt.  Hetzelfde geldt voor ieder sport uurtje of de progressies die je iedere week maakt. In principe niets mis mee, iedereen mag gelukkig zelf delen wat hij/zij wil, maar ik heb er zo mijn vraagtekens bij.

Doe je dit voor jezelf? Of sla je erin door? Ben je de hele dag bezig met wat je gaat eten? Dit is iets wat ik me serieus afvraag. Hierin ben je mij geen antwoord schuldig, maar jezelf. Wat ik hiermee wil zeggen is: pas een beetje goed op jezelf. Het is fijn dat je lekker in je vel zit en dit mag je zeker laten zien, maar doe het niet voor de bevestiging van anderen.

Gezond leven en sporten is hartstikke goed voor je en ga hier vooral mee door maar geniet alsjeblieft ook af en toe van pizza/sushi/ijs/chocola, wat het ook mag zijn wat je lekker vindt en misschien niet zo healthy is (ik zet graag alle vier in, maar dat even terzijde).

Doe vooral waar je je lekker bij voelt en nog belangrijker: doe het  voor jezelf.  Het leven gaat niet alleen maar om presteren. Wees lief voor je lichaam en gun jezelf ook rust. Heb je dubbel en dwars verdiend.

Deze column is ook gepubliceerd op: GRLMAG  

Een brief aan de sterren

Hi Den,

Heb je al even niet gesproken. Vorige week wilde ik je een berichtje sturen. Appen of op Facebook, maakt verder niet uit. Geen idee of het dan bij je aankomt trouwens. Of zie je nu gewoon alles?

Hoe schrijf je eigenlijk iets voor iemand die er nu niet meer is? Leren ze je niet op school he… Net als dat ze niet leren hoe je je moet gedragen als je ziek bent, of hoe je moet doen tegen iemand die ziek is, en zo zijn er nog wel tig dingen die toch eigenlijk veel belangrijker zijn dan te leren wat de hoofdstad is van Chili. Maar goed.

Ik heb een boekje aan je kleine Sem gegeven, met veel van onze gesprekken erin en hoe alles is gegaan, vanaf het moment dat ik jou leerde kennen. Onze meest idiote en lachwekkende gesprekken maar ook onze filosofische en gefrustreerde gesprekken. Maar vooral de support gesprekken. Hij zal er nu nog niet zoveel aan hebben, maar hij moet weten wat voor een geweldige papa jij was.

Oja, ik heb al deze foto’s en verhalen in een agenda geplakt. De agenda waar jij om vroeg, vlak voordat ik je als laatste zag. Ik bedenk me nu… volgens mij is dat serieus het laatste wat je tegen me hebt gezegd, of ik die agenda wilde opzoeken. Graag gedaan, Den.

Tijdens het maken van het boekje voor Sem kwamen er allemaal dingen naar boven die we samen hebben meegemaakt. Je liet me flink janken tijdens het knutselen, heb je vast wel gezien van boven. “Over een paar jaar lachen we hierom en vertellen we stoere verhalen over onze chemo’s”. Daar had je me hoor.

Weet je nog die ene keer dat de zeikzuster boos onze kamer binnenstapte en tegen me zei dat ‘het hier geen theekransje was’, omdat ik het met twee vriendinnetjes gezellig had? Je nam het meteen voor me op en zei dat ik het netjes aan jou had gevraagd en je het wel gezellig vond. Alsof wij denken dat het leven als kankerpatiënt een theekransje was. Twee boeven waren we hoor, als zij daarna weer onze kamer binnenkwam.

Maar ook de eerste keer dat we samen aten. Ik kreeg zalmrolletjes en zodra ik die voor mijn neus had, werd ik dubbel zo misselijk en hoefde ik al helemaal geen eten meer. Tijdens chemo’s ga je gekke dingen lekker vinden en andere dingen opeens heel vies. Jij zag hoe ik naar die zalmrolletjes zat te staren en je kwam niet meer bij. Je hebt me hier nog vaak mee gepest.

Gelukkig had jij daarna uitgevonden dat we ook pizza konden bestellen (pizza smaakt natuurlijk ook niet op dat moment, maar het idee was leuk.) En wat dacht je van de eerste keer dat we met al onze apparatuur naar buiten gingen om een luchtje te scheppen. We werden zo aangestaard, dat shockeren van mensen vonden we stiekem heel leuk. We maakten de ene grap na de andere en je noemde ons ‘de hangjongeren van het ziekenhuis’.

Of die ene keer dat je eten ging halen in de kantine en er een man tegen je zei: “He, je mag alleen eten pakken als je patiënt bent!” Jij zei sarcastisch terug: “Nou heb ik even geluk dat ik dat ook nog eens ben!” De manier waarop je me dat vertelde…

Maar ook iemand die wist waar ik het over had, die me begreep en die me ‘s nachts in het ziekenhuis wakker maakte om naar de wc te gaan omdat we 24/7 werden volgepompt met vocht. En iemand die net zo positief tegen dit hele traject aankeek als ik.

Morgen moet ik weer naar het ziekenhuis voor een check. Dat is gek, voor het eerst daarheen nu jij er niet meer bent. Beetje dubbel allemaal. Ik denk dat ik nog even naar boven loop om te kijken in welke kamer wij lagen.

Den, ik heb je niet lang gekend maar wat hebben we veel aan elkaar gehad in die tijd. We hadden een deal, samen de eindstreep halen. Het zit nog niet in mijn systeem dat ik nooit meer met je zal praten, het dringt niet door en het is zo onwerkelijk want het ging uiteindelijk allemaal zo snel.

Je hebt me beloofd, dat als je er niet meer zou zijn, je dan een teken zou geven als je er was. Op jouw manier, dus om me te plagen. Ik wacht er nog steeds op en ik probeer het overal in te zoeken…

Ik vind het lastig Den, om dit een plekje te geven. Met wie moet ik het hierover hebben? Wij kende elkaar op een manier waarop niemand ons kent. Daarom schrijf ik je zo af en toe. Hopelijk hoor je me.

Liefs je ‘ziekenhuissoulmate’

Voor altijd in mijn hartje

‘That’s life, enjoy it.’ Is iets wat mijn vader vroeger altijd tegen me zei als iets niet leuk was of niet naar mijn zin ging. Je kan je er druk om maken, maar het is nu eenmaal zo. De laatste twee jaar is dit flink op de proef werd gesteld bij mij. Waarschijnlijk had het ‘allemaal zo moeten zijn’ en ik ben nu hartstikke happy dus wat heb ik te klagen?

Maar soms zijn er dingen die je niet begrijpt. Hoe hard je ook je best doet, je begrijpt het niet, je zal het nooit begrijpen en er komt nooit een goede reden voor. ‘That’s life, enjoy it’, komt dan even niet voor. Vorige week had ik zo’n momentje. Of nouja heel veel van die momentjes: mijn ziekenhuismaatje is vorige week op 34 jarige leeftijd overleden.

Nadat ik de vorige zin heb getypt, was het even heel lang stil op mijn toetsenbord. Want wat wil ik hierover nog kwijt? Heel veel, te veel. Maar vooral: het is niet eerlijk. Zijn prognose was niet positief maar we geloofden erin dat hij echt écht beter zou worden. Alleen al door zijn positiviteit en kracht.

De band die wij hadden was erg bijzonder. Ik probeer het ergens mee te vergelijken maar dat lukt me niet. Het gaat om een moeilijke en spannende periode uit ons leven die je samen deelt. We begrepen elkaar. Vooral dat. Ik kon tegen iedereen zeggen hoe misselijk ik me voelde, maar wat hebben ze eraan? En zo waren er nog 100 vervelende kwaaltjes die om de hoek kwamen kijken. Maar ook konden we samen grove grappen maken over onze situatie, de één nog erger dan de ander. We hadden samen de grootste lol.

Een week voordat hij overleed, zag ik hem voor het laatst. Ik vond dit moeilijk. Voor het eerst snapte ik dat mensen het tijdens mijn ziekte, moeilijk vonden om de juiste woorden te vinden. Ik dacht dan: “Hoezo? Doe normaal, ik ben nog steeds Anouk hoor.” Maar nu vond ik het lastig! Ik stond met ‘m’n bek vol tanden’ en dat heb ik niet zo snel.

Dit hadden we niet afgesproken, we zouden allebei beter worden, samen. Ik had er een naar gevoel over, voelde me een soort van schuldig. Natuurlijk ben ik blij dat ik weer gezond ben maar ohhhh ik wilde dit ook zo graag voor hem.

Ik ben blij en toch ook wel trots (ga ik dit zeggen… ja ik mag dit zeker zeggen) dat ik er altijd ben geweest. Ook toen ik uit het chemo traject was en hij nog steeds regelmatig naar het ziekenhuis moest, bleef ik hem opzoeken. Af en toe ging dit met gemengde gevoelens want het is lastig als iemand ziek blijft terwijl jij zelf weer beter wordt. Maar hé, hij zou ook beter worden alleen zou dat wat langer duren.

Mijn ziekenhuismaatje laat zijn vrouw en zoontje achter. Zijn zoontje (3) moet weten wat voor bijzondere papa hij had. Een papa die er alles, maar dan ook echt alles aan deed om weer beter te worden en voor zijn gezin te kunnen zorgen.

De laatste dagen ben ik druk aan het schrijven, knippen en plakken geweest en heb ik een boekje in elkaar geknutseld met allemaal mooie verhalen over zijn papa. Met daarbij foto’s en gesprekken die wij hebben gevoerd.

Lieve Den, je bent voor altijd in mijn hartje.