Waarom je niet alles kan (en hoeft) te bewaren

Ik ben best wel gestructureerd en georganiseerd, op een leuke manier al zeg ik het zelf. Wat ik ook heb is een bewaardrang. Ik moet alles bewaren, want: ‘wie weet komt het nog wel een keer van pas.’ Wie herkent dit?

Nu heb ik na het ziek zijn behoorlijk wat de deur uit gedaan. Vooral kleding en beautyproducten. Het was echt niet normaal hoeveel ik had.

Maar nu ik 7 maanden uit een tas heb geleefd en dat eigenlijk helemaal prima ging, vind ik het hoog tijd om alles weer even onder de loep te nemen. Wat draag ik nu al 2 jaar niet meer? (eerlijk zijn!) En aan welke frutsels heb ik nu eigenlijk niks, of terwijl wat is gewoon troep? Eindresultaat: 2 volle vuilniszakken met kleding.

Wat ik ook heb gedaan is mijn blog verwijderd. Het blog dat ik bijhield toen ik ziek was. Ik kon het gewoon niet verwijderen. Nu kan je denken: ‘Uhm ja maar dat ruimt toch verder niet op?’ Bij mij wel, namelijk in mijn hoofd. Maar ik heb alles bewaard wat ik heb geschreven dus ik dacht: het is nu of nooit.

Door naar het volgende stukje: alle kaarten die ik heb gekregen in de tijd dat ik ziek was. Ik vind het zo lief dat mensen in die tijd een kaartje stuurden, dat kan je toch niet weggooien? En zo zijn we bijna vier jaar verder en heb ik een tas vol kaarten… Die ik nog wel een paar keer heb teruggelezen en vorige week voor de allerlaatste keer.

Want sommige dingen hoeven niet bewaard te worden om aan te geven hoeveel het voor je (heeft) betekend. Sommige dingen zitten in je hart, als herinneringen. En die herinneringen, die kan ik nooit wissen. Die zijn voor altijd bij me.

De foto hierboven is genomen toen ik al wist dat ik ziek was en net voor mijn chemo’s. Deze foto had ik als achtergrond op mijn ‘ziek zijn blog’, vandaar dat ik deze foto voor de laatste keer hier plaats.

Dag papa

Eigenlijk miste ik papa al een paar jaar. Soms in vlagen was mijn oude papa weer terug en kreeg ik weer hoop. Ik merk nu, na zijn dood dat ik al die jaren boos ben geweest. Boos op dat hij ziek was, boos op dat we tegelijk ziek waren, boos omdat ik wilde dat hij weer mijn oude papa werd. Boos omdat het mijn papa was die ziek was en boos omdat ik geen snars van die ziekte begrijp. ‘Anouk, het is alleen maar goed dat je het niet begrijpt’, zei hij dan.

En nu ik definitief weet dat ik mijn vader, hoe hij altijd was, nooit meer terugkrijg, is er verdriet. Omdat ik er meer voor papa had willen zijn, omdat ik minder boos had willen zijn, omdat ik nog een keer tegen hem aan had willen kruipen, omdat ik hem al een paar jaar zo verschrikkelijk mis.

Maar nu is het voor altijd. Het idee dat ik misschien nog wel 60 jaar dit leven mag leven en dat mijn vader daar geen deel van uitmaakt… geen woorden voor.

Dat ik misschien ooit kinderen krijg en hij daar niet bij is. Ik weet nog zo goed dat we in het ziekenhuis waren, vlak voor de chemo’s en er een mogelijkheid was dat ik misschien nooit zelf kinderen kon krijgen. Ik vroeg aan mijn ouders: “Misschien adopteer ik dan wel kinderen, wat vinden jullie daar dan van?” Hij zei: “Als het kind ‘opa’ kan zeggen, vind ik alles goed.”

En toen het definitief was, dat hij er nu niet meer is en nooit meer terugkomt, dat moment viel alle boosheid weg. Vanaf dat moment was ik niet meer boos op mijn vader. Alsof ik het toen allemaal begreep?

Dat hij dit ook niet zo had gewild. Dat hij ziek was, ontzettend ziek en dat hij het ook niet zo had willen beëindigen. Misschien doet de meeste pijn nog wel dat hij die laatste uren alleen was, dat ik niet bij hem heb kunnen zijn en nog iets liefs had kunnen zeggen. Dat hij de beste papa is.

Het mooiste en tegelijk het ergste vind ik misschien nog dat ik het die ochtend heb gevoeld. Ik kwam jankend op werk aan en wist niet waarom. Op weg naar werk moest ik zo erg aan hem denken. Ik wilde naar huis, voelde me raar maar kon niet precies mijn vinger erop leggen. Tegen het einde van de ochtend was dat gevoel weg en kon ik weer lachen, voelde ik me weer goed. Had ik hem toen nog maar gebeld… Maarja en dan? Eigenlijk geloof ik ook niet in de ‘had ik maar’.

Omdat ik me vlak voor zijn dood zo naar voelde en vlak na zijn dood weer beter, geloof ik dat hij daar rust heeft. Dat hij daar niet meer ziek is en dat hij daar bij oma is. Waar dat ‘daar’ dan ook mag zijn. Maar het maakt het verdriet niet minder.

Ik ben ontzettend dankbaar dat hij mijn vader is. Dat ik door hem ben opgevoed en voor alle mooie momenten die ik met hem heb gehad en die we als gezin hadden. Tot ooit papa…

Vroeger wilde ik prinses worden, maar waarom eigenlijk?

‘Pap?’, zeg ik terwijl hij in de badkamer zijn tanden poetst.

‘Ja schat.’

‘Hoe word ik prinses?’

Ik zal zo’n jaar of 5 zijn als ik deze vraag aan mijn vader stel.

Papa antwoordt heel vastberaden: ‘Of je moet trouwen met een prins…’

‘Ja…’ en ik kijk hem verwachtingsvol aan, nieuwsgierig naar het volgende dat hij gaat zeggen.

‘Of je vader moet een koning zijn.’

‘Oh…’ antwoord ik teleurgesteld en mijn hoofdje zakt omlaag.

Ja dit is dus echt gebeurd, ook ik wilde prinses worden als klein meisje. En waarom eigenlijk?

Gisteren begon deze gedachte bij mij te spelen toen ik de Disneyfilm ‘Robin Hood’ keek (ja 1 van mijn guilty pleasures is het kijken van Disneyfilms, ik geef het toe). Naast dat ik het leuk vind, is het ook interessant als je de film als kind hebt gezien, en nu weer voor het eerste ziet als volwassenen omdat je er dan heel anders tegenaan kijkt. Probeer maar eens. Oke nu terug waar je voor kwam: het prinsessenstuk.

In de film ‘Robin Hood’ steelt Robin van de rijken om het vervolgens aan de armen te geven. Dat is denk ik algemeen bekend. Maar natuurlijk is er ook een meisje in het spel, Marian. Een knap vosje met lange wimpers (want over die lange wimpers wordt regelmatig gesproken in de film).

Aan het begin van het verhaal laat ze weten dat ze zo graag Robin Hood wilt zien na al die jaren en dat ze hem zó leuk vindt (chick, regel zelf die ontmoeting, denk ik dan).

Om een lang verhaal kort te maken: uiteindelijk vindt Robin Hood haar en vraagt hij haar ten huwelijk, waarop ze antwoordt: ‘Ik dacht je het nooit zou vragen!’ Als hij daarna zegt: ‘Hoeveel kinderen wil je, 6?’ Zegt zij: ‘Ik dacht aan 12!’

Verder was er niet ontzettend veel gespreksstof tussen de twee en de film eindigde met een trouwpartij. Allemaal leuk hoor maar dit zette me – met mijn feministische gedachten – even aan het denken. Want in de meeste Disneyfilms van ‘mijn tijd’, worden prinsessen vaak gered of veroverd door een prins/man. (denk maar aan Aladdin, Doornroosje of Sneeuwwitje). En hierbij eindigt het vaak ook in trouwen. Plus al de prinsessen zijn allemaal bloedmooi en dat hoor je ook terug in de films.

Sneeuwwitje stond bekend om haar huid zo glad als porselein, de haren van Doornroosje waren prachtig en dan dus de wimpers van het vosje Marian.

Wat voor boodschap werd er (onbewust) eigenlijk meegegeven aan jonge meisjes in deze films? Het is belangrijk om mooi te zijn want dan vinden mannen je leuk? En dat trouwen en kinderen krijgen belangrijk is en iets is dat een vrouw graag wilt? En wat geven we door deze films aan jongens mee: dat ze stoer zijn, meisjes moeten veroveren en dat het vooral belangrijk is dat ze knap is, want ja daar val je voor.

Als je dan kijkt naar nieuwe Disney-films (ja die kijk ik ook) zoals Viana en Frozen, dan is de boodschap toch een stuk veranderd (YES). Dit zijn ook prinsessen en ze zijn mooi maar het staat niet in het teken van verliefd worden of veroverd worden door een man.

Het gaat ook niet om hoe mooi ze zijn. In deze films ontwikkelen de vrouwelijke hoofdpersonen zichzelf en ze leren zelf belangrijke lessen (ook zonder man) en dat vind ik dan weer heel fijn.

Je ziet het al: ik vind het ontzettend leuk en interessant om dit analyseren, can’t help it. En om even terug te komen op mijn prinsessendroom: ik gok dat daar de Disneyfilms flink aan mee hebben geholpen.

Gelukkig hebben deze films me niet te veel beïnvloed, hebben ‘mijn prins’ en ik elkaar veroverd en is er van trouwen nog geen sprake.

Wat dan wel weer leuk is om te zeggen: toen ik deze maand officieel één jaar werkte als freelancer kreeg ik een kaartje van Hem met een Super woman erop en een lief tekstje (zonder iets over trouwen, kinderen of mooi zijn, maar over Anouk als freelancer). Dus ja, misschien ben ik nu liever een super woman dan een prinsesje 😉

 

 

,

Blijven uitstellen? Of gewoon doen!

Op jonge leeftijd verslond ik al tijdschriften. Voor sommige tijdschriften waar ik een abonnement op had was ik veel te jong, realiseer ik me nu, want de helft van wat erin stond, begreep ik geen snars. Stonden er allemaal van ‘die grote meiden dingen’ in. Maar ik ging gewoon door, want als ik mijn eigen tijdschrift uit had, dan ging ik die van mijn moeder lezen. Waar ik natuurlijk al helemaal niks van begreep. Maar dat maakte allemaal niet uit. Ik wilde lezen.

Ik zal een jaar of 10? zijn geweest toen ik een interview tegen kwam met een meisje van 18, in de Elle Girl. De foto herinner ik me nog goed. Ze had een grote rugzak op haar rug, kort bruin en ongekamd haar (daar snapte ik niets van, dat ongekamde haar) en vreemde kleding aan. Ik las het interview en dit ging over backpacken in Australië. Na haar studie was dit meisje gaan backpacken. Dit klonk heel interessant maar ik snapte er nog niet veel van.

‘Mam?’, ik liet het artikel zien, ‘wat is dat, ‘backpacken’?’

‘Dan ga je naar het buitenland en dan reis je met een rugzak. Een soort lange vakantie maar dan voor een paar maanden of misschien langer.’
‘Maar je kan toch niet alles meenemen in die rugzak? En waar slaap je dan? Dat is toch duur?’
Mijn moeder vertelde de basis dingen over het backpacken en ik vond het steeds interessanter klinken. Toen ik er nog meer van wilde weten vertelde mijn moeder dat mijn oom dit ook had gedaan. ‘Anders kan je aan hem vragen hoe hij dit vond’, stelde ze voor.

Het klonk eng, dat backpacken, maar ook heel spannend.

En mijn idee om ‘ooit, later’ te gaan backpacken begon te groeien. Maar niet Australië. En ook niet Azië… Nee, ik wilde naar Zuid-Amerika. En toen later de serie ‘Julia’s Tango’ (wie kent het nog?) op tv verscheen, wist ik het zeker. Want Julia’s Tango speelde zich af in Buenos Aires… De jurken, het dansen, de taal, de cultuur… dat wilde ik ook!

Toen ik afgestudeerd was en meteen een baan had, dacht ik: ‘Eerst een paar jaar werken en dan reizen.’

En toen… werd ik ziek. ‘Oke eerst beter worden en dan het jaar daarna reizen’, besloot ik.

Maar dat beter worden, duurde toch iets langer dan ik dacht en dan had ik ook nog regelmatig controles.

‘Okeee… dan twee jaar nadat ik beter ben reizen.’

En toen ging ik freelancen. ‘Oke, oke… eerst het freelancen opzetten en daarna reizen’, sprak ik mezelf weer toe.

Best logische redenen allemaal. Maar is het 2,5 jaar na mijn ziek zijn en worden de controles minder regelmatig, plus… ik ben bijna een jaar aan het freelancen (en dat is leuheuuuk).

Maar jongens: het reizen kriebelt zoooo erg. En door mijn ziekte weet ik ook wel dat je dingen gewoon moet DOEN en niet wachten op het juiste moment want negen van de tien keer komt dat toch niet. Ik vind het dan ook HEEL LEUK om te vertellen dat we (ja WE, we gaan samen, daar volgt natuurlijk ook nog een blog over) in december naar Zuid-Amerika vliegen.

En nu zou ik nog twee uur vol enthousiasme kunnen schrijven waar we heen willen, hoe we het allemaal willen doen en wat ik ga doen met het freelancen maar daar allemaal meer over!

Wat ben ik BLIJ dat we dit gaan doen en dat ik dit eindelijk niet meer hoef uit te stellen naar ‘later’, ‘ooit’ of ‘in de toekomst’ …

Vaderdag met opa

Ik loop door de keuken naar de slaapkamerdeur, die grenst aan de woonkamer. Als ik naar de deurkrik wil grijpen, zie ik het briefje dat met plakband op de deur is geplakt. Het is al een beetje gekruld aan de zijkanten, zo oud is het. ‘Opa, niet je medicijnen vergeten! Liefs Anouk’, heb ik met pen geschreven. Alweer dik een jaar geleden. Misschien wel twee jaar geleden? Ik glimlach en doe de deur zachtjes open. Daar ligt opa met het deken over zich heen. Hij ligt met zijn rug naar mij toe. Ik loop om het bed, naar de kant waar ik zijn gezicht kan zien en ga voorzichtig op het bed zitten. ‘Opa’, fluister ik. ‘Opaa, opaaa’, nog steeds geen reactie. ‘Opaaa!’, zeg ik nu wat harder. Ik voel me een beetje schuldig nu, maar ik wil hem echt graag even zien. En ik denk hij mij ook. Na nog een paar keer opa gezegd te hebben opent hij langzaam zijn ogen. Ze lijken nog kleiner als hij net wakker wordt.

Hij kijkt naar me en knippert met zijn ogen. Met mijn gezicht ga ik een stukje dichter naar zijn gezicht en ik glimlach, maar ik zeg niets. Dan zie ik een blik van herkenning in zijn ogen.

‘He! Anouk’, en ik zie een lach op zijn gezicht.

‘Hoi opa, sorry dat ik u wakker maak. Maar zo vaak zie ik u ook niet dus ik dacht ik ga het toch doen.’
‘Wat leuk dat je er bent!’, reageert opa, en ik ben blij dat hij het niet erg vindt dat ik hem heb wakker gemaakt.
‘Ja we waren net langs papa geweest, dus dan komen we ook even langs u, dacht ik zo.’
‘Nou, wat aardig van je.’
‘Want het is Vaderdag natuurlijk, dus dan is het wel leuk om even in het Westland te zijn.’

‘Oja… het is Vaderdag. Nou zeg… ik heb nog nooit zo’n slechte Vaderdag gehad.’
‘Nee he… want hoe gaat het nu?’
‘Nou… niet goed. Heel mijn rug doet pijn joh. Hoe dat nou komt.’
‘Ik hoorde van tante H. dat je was gevallen he… een paar dagen geleden. Misschien komt het wel daardoor?’
‘Oja. Ja dat is waar ook joh. Ik weet het nog precies. Ik stond bij de koelkast en opeens lag ik op de grond. Ik heb wel een uur tegen de koelkast gezeten voordat ik overeind kwam. Toen heb ik je tante gebeld.’
‘Nou… wat een toestand he.’

Dan komen mijn tantes binnen. Hij krijgt paracetamol tegen de pijn en ik loop weer even naar de tuin. Als dit is gelukt – rechtop zitten voor een 88 jarige man met pijn in zijn rug duurt even – loop ik weer naar de slaapkamer. Even alleen met opa zijn vind ik fijn, als de situatie het toelaat.

Ik ga weer op dezelfde plek zitten en kijk opa aan.
‘Hoe moet het nu verder met me?’, kijkt hij me vragend aan.
Ik vraag me af wat ik tegen mijn opa moet zeggen… ‘Wat denk je zelf opa?’, antwoord ik dan terug.
Het blijft stil. ‘Opa? Wat denk je zelf?’
‘Ja, zo gaat het toch niet langer.’
‘Je bedoelt dat je misschien ergens anders moet gaan wonen?’
‘Jhaa, maar dat gaat toch niet zomaar. En dit…’, hij wijst naar zijn rug, ‘dat gaat toch binnenkort wel over?’
‘Ja opa dat gaat wel over.’
‘Ja alles gaat over. Niets is voor altijd.’
Het is weer stil.
‘We zijn hier op de motor opa!’, zeg ik omdat ik niet zo goed weet wat ik moet zeggen nu.

‘JIJ?’, zegt opa.
‘Nee, nouja ik zit natuurlijk achterop bij Hem. Ik rijd zelf niet.’

‘Is Hij hier ook dan?’ Opa antwoordt meteen zelf op zijn vraag: ‘Ja natuurlijk is Hij er anders kan jij hier niet op de motor gekomen zijn.
‘Ja klopt, Hij is hier ook.’

‘Nou, waarom breng je Hem niet binnen dan?!’
Ik schrik een beetje maar moet tegelijkertijd lachen om zijn directe reactie.
‘Ik dacht… u voelt zich niet zo goed dus ik weet niet of u het fijn vindt dat Hij dan ook naar binnen komt?’
‘Ik wil hem ook wel eens een keer zien hoor! Ik heb hem nog nooit gezien!’, zegt opa verbouwereerd.
‘Jawel opa… u heeft hem wel gezien.’ En ik noem een aantal momenten waar Hij er ook was.
‘Oja…, nouja breng Hem nu maar hierheen.’
‘Ja ik vraag wel of Hij even naar binnen komt.’
‘Ja dat is leuk.’
‘We wonen ook al samen hè, in Amsterdam’, zeg ik als ik opsta om nog even te testen of opa dat nog weet.
Hij kijkt me een beetje glazig aan. ‘Nou dat moet vast gezellig zijn.’
‘Ja dat is het ook!’, zeg ik vrolijk terug en ik loop de slaapkamer uit.

Ik loop naar buiten en leg het verhaal aan Hem uit. Hij moet lachen want Hij heeft al vaker meegemaakt dat Hij opa voor ‘de eerste keer’ zag.

Ik neem Hem mee naar binnen. Ik ga op het bed zitten en Hij staat naast het bed en geeft mijn opa een hand. Nadat ze wat gesproken hebben, zeg ik: ‘Nu herken je hem wel weer hè?’
‘Ja nu wel!’, antwoordt opa. En ik weet niet of opa het zegt omdat hij het echt weer weet of om het te zeggen.
‘Nou, je hoeft niet te blijven staan hoor’, zegt opa lekker subtiel tegen Hem. ‘Je mag ook weer gaan als je dat wil.’
‘Nou, opa!’, zeg ik.
‘Ja ik bedoel…’ Ik weet dat opa het niet bot bedoelt en hij niemand bezwaard wil laten voelen… maar als je mijn opa niet zou kennen zou het wel een beetje bot over komen op deze manier.
Ik klop naast me op het bed: ‘Kom hier maar zitten’, zeg ik tegen Hem.
‘Ja dat mag natuurlijk ook’, zegt opa. Fijn opa, dankjewel 😉

Het is stil in de kamer. En dat is fijn. Het is fijn om niet altijd te hoeven praten. En ik denk dat mijn opa daar nu ook geen zin in heeft om constant te praten of te luisteren.

Dan kijkt opa Hem aan en zegt hij vanuit het niets: ‘Je hebt een lief meissie hoor.’
‘Jahaa, dat weet ik’, en Hij slaat een arm om me heen.
‘Wees er maar zuinig op’, zegt opa er nog achteraan.
Dan springen de tranen in mijn ogen (het lijkt nu alsof ik altijd moet huilen als ik een blog schrijf, maar hé dit was zo’n mooi moment.)
Ik kijk weg van mijn opa, naar Hem. Omdat ik niet wil dat mijn opa ziet dat ik tranen in mijn ogen heb.

Dan komt de dokter binnen. Ze wil wat onderzoeken doen om te kijken of opa iets heeft gebroken. Hij gaat weg en nu staan de dokter, mijn tantes en ik nog in de slaapkamer. De dokter vraagt of opa nog ergens anders last van heeft. ‘Je buik? Of je liezen?’

‘Nou, mijn rug alleen vind ik wel weer genoeg hoor.’ Mijn tantes en ik kijken elkaar aan en schieten in de lach. Typisch opa dit.

Even later gaat mijn ene tante de deur uit en ook ik volg haar omdat het nu wel erg vol is in de slaapkamer. Ik loop weer naar de tuin, die grenst aan de slaapkamer van opa en ik ben blij dat ik naar buiten ben gegaan als ik vanuit de slaapkamer hoor dat hij pijn heeft.

Even later komt mijn tante de tuin in en vertelt dat opa toch door de ambulance wordt opgehaald om foto’s te laten maken in het ziekenhuis.  Misschien heeft hij  toch wat gebroken.

Ik sneak nog even de slaapkamer in. Hij ligt nu aan de andere kant van het bed. Weer met zijn ogen dicht. ‘Opa’, zeg ik. Hij reageert, zoals net, weer niet meteen. Na nog een paar keer doet hij zijn ogen weer open.

‘Opa, ik wilde nog even mijn nieuwe fiets laten zien.’ Nu voel ik me wel echt 8 jaar als ik dit zeg. Ik pak mijn telefoon en laat een foto van mij zien met mijn nieuwe fiets.
‘Mooi he!’
‘Nou joh. Mooi hoor.’
‘En hij is blauw!’
‘Jaa, dat kan ik zien dat ie blauw is.’

Bijdehandje…

‘Nou, veel plezier ermee he.’
‘Ja dat gaat wel lukken.’
‘He, als je nou die zooi van die stoel afhaalt, hoef je niet te staan.’ Hij knikt naar de stoel die achter me staat. Er liggen wat kleren op van opa.
‘Opa ik heb net al constant gezeten.’
‘Ja… ga toch maar gewoon zitten.’
‘Tot uw orders’, grap ik en opa moet lachen.
Dan vraagt opa: ‘Hoe is het met je verkering?’
‘Goed opa. Heel goed.’
‘Goedzo. Het is je gegund.’

‘Ik ga even naar het toilet oke. Ben zo terug.’ Ik loop de kamer uit naar het toilet, daarna pak ik nog wat drinken en klets wat in de keuken met mijn tante. Als ik terug ga, heeft opa zijn ogen weer dicht. Ik fluister nog één keer ‘opaaaa’, maar als hij niet reageert, laat ik hem lekker slapen en loop de slaapkamer uit, naar de tuin.

,

Wanneer ben je een gelukkig, rijk mens?

Whoeehoeee, wat een vraag he jongens. Vaak denken wij als mensen: ‘Als ik dit heb, dan ben ik echt helemaal gelukkig/verzadigd.’ Verzadigd klinkt een beetje gek, maar laten we zeggen ‘dan heb ik genoeg’, ‘nu is het oké’. Pas had ik dit met een tuinsetje voor ons balkon. ‘Zo. Als we dit hebben, dan is het voorlopig helemaal klaar, nu is het helemaal perfect.’

Ja, je bent klaar voor 2 weken, en dan zie je weer wat anders dat je wilt hebben. ‘Oh he trouwens, nog een paar kussentjes of een kleed buiten is eigenlijk ook wel heel leuk!’, met glinsterende ogen kijk ik Hem aan alsof ik net het beste idee ooit hebt bedacht. En zo blijft de mens lekker bezig met kopen. (Dit is waarschijnlijk ook meer een vrouwending, want Hij lijkt hier niet gevoelig voor te zijn.)

Maar, even zonder dollen. Weet je wanneer ik onder andere mijn gelukkigste momenten heb beleefd? Ik had het toen niet zo kunnen zeggen, maar dat was toen ik ziek was. En nee dit waren geen gelukkige momenten omdat het allemaal zo’n feest was, die chemo’s.

Dat waren de weken dat ik in het ziekenhuis lag en ik iedere dag een paar keer bezoek kreeg. Dat was toen mijn beste vriendinnen erbij waren toen mijn haar eraf werd gehaald omdat het met bosjes uitviel. Omdat ik aan ze vroeg, of ze hierbij wilde zijn want dit leek me een fijn idee.

 Om vervolgens daarna met iedereen taart te eten, omdat ik vond dat je maar beter zulke dingen met taart kan vieren.

Dus eigenlijk hebben bij mij de minder leuke dingen tegelijk voor mooie geluks momentjes gezorgd. En door de minder leuke dingen in het leven (of gewoon k*t dingen), ga je beseffen wat je nu eigenlijk echt nodig hebt in het leven, en dat is minder. Omdat je blij bent met wat je hebt en dat nog meer waardeert. En dat zijn de mensen om je heen, de mooie momenten.

Zo hebben Wij laatst onze verjaardag gevierd – ja ik wil dit toch ook echt even benoemen – en dat was zo ontzettend leuk. Het is zo fijn om je vrienden en familie bij elkaar te hebben. Dat ze allemaal speciaal voor ons komen. Ik word daar echt zo ontzettend gelukkig van, al die gezelligheid bij elkaar.

Geniet van wat je hebt – en dan heb ik het over de mensen om je heen – en LEEF.

Leef niet om zoveel mogelijk geld binnen te harken (mijn advies, maar dat is natuurlijk aan jou) en om uiteindelijk de rijkste man of vrouw van het kerkhof te worden (deze quote hoorde ik laatst en ik wist meteen dat ik deze quote in één van mijn blogs wilde gebruiken).

 

Happy people don’t have the best of everything, they just make the best of everything.

Nu ben ik zo ontzettend benieuwd hoe jullie dit ervaren. Waar word je gelukkig van en wat is jouw ultieme geluksmoment of –momentjes?

* Oja nog een ding: nu heb ik gisteren de documentaire ‘Minimalism: A Documentary about the Important Things’ gezien. Ook het kijken waard als je even niet meer weet of ‘dit het nu is’ en ‘of je nu echt gelukkig bent’. Te zien op Netflix!

Jankend op de Etna

Ik wil niet. En waarom niet? Geen idee.

‘We kunnen met een quad! Laten we dat doen.’ Hij loopt al naar binnen en ik laat Hem gaan. Ik ga niet mee en ik weet niet waarom. Ik stap een trappetje op en geniet van het uitzicht. Wat later loop ik weer naar beneden en ga ik een paar meter verder van het ‘quad hutje’ staan.

Dan komt Hij naar buiten, vol enthousiasme. ‘We kunnen gewoon op een quad de Etna op!’
‘Hmm’, ik kijk naar de quads. ‘Ik weet niet of ik dat wil’ en ik kijk naar boven. ‘Kan ik anders achterop?’, vraag ik voorzichtig.
‘Kom anders mee naar binnen! Dan kun je het vragen.’ Ik zie die ogen twinkelen en ik kijk naar het houten hutje. Mijn gevoel zegt duidelijk: NEE.

‘Nee… nee ik blijf buiten, ga jij maar.’ Vrolijk loopt Hij naar binnen terwijl ik voor me uit staar, naar de legergroene quads die op een rijtje staan. Er bekruipt me een vreemd en naar gevoel. Ik wil dit niet. En waarom dan? En waarom staat het me zo tegen om daar naar binnen te gaan? Ik kan geen antwoord geven, want voordat ik het weet staat de enthousiasteling weer naast me.

‘Het kan, je kan achterop! En er gaat een gids mee. Anouk, dit is zoveel leuker dan met zo’n jeep naar boven of met een kabelbaan.’
Ik kijk van de quads naar Hem en ik zeg niets. Maar mijn gezicht zegt genoeg.

‘Wat is er? Waarom twijfel je?’
‘Ik weet niet’, zucht ik.

‘Als je echt niet wil, dan gaan we niet. Maar ik snap niet waarom je niet wilt?’
En eigenlijk snap ik het zelf ook niet. Ik ben niet bang ofzo en het is juist leuk toch, op een quad. Weer eens wat anders! Maar ik kan mezelf niet overtuigen en Hij evenmin.

Ik kijk weer naar die stralende ogen en denk dan: oke dan doe ik het voor Hem. Als jij niet weet waarom je dit niet leuk vindt, dan doe je het voor Hem.

‘Oke’, zeg ik. ‘We gaan wel.’ Het komt er niet overtuigend uit, het lukt me gewoon niet.
‘Wil je echt?’
‘Nee. Dan doe ik het voor jou.’
‘Ja maar dat wil ik ook niet.’ En het is weer even stil.
‘Maar ik weet gewoon echt niet waarom ik niet wil… anders ga je alleen?’ probeer ik.
Ik weet hoe graag Hij het wilt, maar om nu met een chagrijnige kop achterop te zitten, lijkt me ook niet gezellig.

‘Nee we zijn hier samen. Als we iets doen, dan doen we het met z’n tweeën.’
‘OKE, oke, we gaan. Ik loop wel mee naar binnen.’ Ik probeer het, ik probeer het echt maar eenmaal binnen wordt mijn gevoel bevestigd. Als we binnenkomen begroet een man me (niet echt van harte) terwijl hij onderuit gezakt op een stoel zit. Het is een donker klein hutje en het ruikt een beetje muf. Achter een bureau zit een vrouw en ze kijkt me streng aan. Ik glimlach naar haar maar mijn poging om me hier op mijn gemak te voelen, wordt niet bevestigd en ze kijkt me stug aan.

Oke, niet te snel oordelen, denk ik.
Hij vraagt aan de vrouw wat we precies gaan zien onderweg (ik weet dat Hij dit doet om mij een beetje enthousiaster te krijgen) en ze dreunt een paar dingen op. Ik heb niet eens door wat ze zegt, ik hoor alleen de verveling in haar woorden.

We krijgen een formulier dat we moeten ondertekenen. En weer gaan de alarmbellen rinkelen bij me. Ik wil dit niet tekenen, dit kunnen we niet tekenen. ‘Hu maar al het risico is voor onszelf?’, zeg ik tegen Hem. Hij vraagt weer wat na bij Miss chagrijn en het klopt inderdaad wat er staat. Hij zegt dat het wel goed komt, dat er weinig kan gebeuren. Het benauwde gevoel bekruipt me opnieuw. Ik draai me om en wacht buiten om mezelf moed in te praten. Het wordt allemaal heel leuk. Hij vindt dit fantastisch, je hoeft alleen maar achterop te zitten dus wat is er nou?

En dan roept Hij vanuit de deuropening: ‘Oh we gaan niet naar boven… eerder naar beneden door de bossen.’

‘Uh, oke maar daar zijn we net doorheen gereden. We zijn toch gekomen om de Etna te zien? Niet de bossen rond de Etna?’
‘Nee inderdaad… daarvoor komen we niet helemaal hierheen. We willen omhoog, naar de Etna. Dan maar niet doen?’
Wat een opluchting, die ene zin. ‘Schat we gaan wel een keer quad rijden in Nederland of ergens anders in het buitenland. Maar we zijn hier om de Etna te bekijken.’ Hij knikt, zijn gezicht verdwijnt weer in het hutje en twee minuten later is Hij weer buiten.

Hij: ‘Wat een Bitch, die vrouw. Weet je wat ze zei toen ik vertelde dat we het toch niet gingen doen: ‘BYE… BYE’, ze schreeuwde nog net niet en ze wees me de deur, dat we niet meer terug hoefden te komen.
‘Fijn. Dat was ik ook niet van plan’, floep ik eruit. ‘Beetje quad rijden door de bossen als je bijna bij de Etna bent. Je voelt gewoon dat daar iets niet helemaal pluis is. Ze vertellen niet eens met enthousiasme over wat we gaan doen. Hoe moet ik dan enthousiast worden?’

‘Ja sorry, ik had naar je moeten luisteren, je wilde echt niet. Maar ik was zo enthousiast…’
‘Ik weet zelf niet eens wat het was, ik kon mijn vinger er niet op leggen dus ik kon ook niet vertellen waarom ik niet wilde. Daarom vond ik het ook zo stom om te zeggen dat ik absoluut niet wilde gaan. Maar die mensen, die regels… ik wilde niet eens naar binnen zo erg stond het me tegen. Dat heb ik echt zelden. En weet je waaraan ik moest denken? Misschien een beetje overdreven hoor, maar van die mensen die het vliegtuig van 9/11 in zouden gaan maar toen een gevoel kregen dat ze dit niet moesten doen. En ze konden het niet verklaren. Maar ze gingen niet. Zo’n gevoel leek dit wel te zijn.’

‘Weet je wat het stomme is, ik was zelf zo enthousiast over dit idee. Die mensen waren inderdaad niet eens enthousiast over hun eigen concept. Alleen ik was het en dat probeerde ik dat op jou over te brengen.’

‘FAIIIIL’, grap ik. ‘Maar ik hoef me dus niet schuldig te voelen?’
‘Nee juist fijn dat je zei dat je gevoel raar was. Toen ik door vroeg – en dat was omdat jij twijfelde – zeiden ze pas dat we niet naar boven gingen. Anders was ik achteraf echt boos geweest als we dat niet hadden gedaan… volgende keer gaan we iets niet doen als jij er zo’n naar gevoel over hebt, maar je zelf niet snapt waarom. Jij hebt dat wel vaker.’

Ik knik en ik moet denken aan vorig jaar, 19 mei, die keer dat ik aan het einde van de middag in bed ging liggen want ik voelde me zo naar, maar ik kon niet verklaren waarom. Die avond zou ik naar een feestje gaan, maar m’n gevoel zei dat ik niet moest gaan. We woonden toen nog niet samen en ik vroeg of ik bij Hem kon slapen omdat ik me zo naar voelde (zonder reden). Eenmaal bij Hem, zette ik mijn telefoon uit en viel uiteindelijk in slaap. De volgende ochtend zette ik mijn telefoon aan en ik kreeg bericht dat Dennie die avond was overleden… Alsof ik het had gevoeld…

Terug naar de Etna
Met een kabelbaan gaan we naar boven – ik weer helemaal blij en mijn twijfelachtige humeur als sneeuw voor de zon verdwenen – en als we uitstappen lopen we naar boven, richting de Etna (en niet richting de bossen). Ik vind het een zwaar stuk en af en toe wil ik stoppen; misselijk, lichte hoofdpijn en een beetje duizelig komen af en toe om de hoek kijken. In het begin hijg ik:

‘Ik ga echt niet helemaal tot daar hoor!’ en ik wijs naar boven.

Maar we lopen door en bij ieder punt waarbij ik denk: ‘hier ga ik stoppen en terug’, loop ik toch door. Bij de laatste stop is het nog zo’n tien minuten naar boven en had ik überhaupt niet gedacht dat we tot hier zouden lopen. Ik ga ergens zitten en Hij maakt foto’s van de omgeving.

Er bekruipt me een rustig gevoel en ik geniet: Wat een gigantisch mooi uitzicht. En wat ontzettend trots dat we dit stuk hebben afgelegd, bedenk ik me als ik naar beneden kijk. Jezus, twee jaar geleden was ik kaal en had ik het nooit tot hier gered. Wat zeg ik? Had ik überhaupt geen stukje kunnen lopen van deze route… Er bekruipt me zo’n intens gevoel en ik ben zo dankbaar dat ik hier nog mag zijn. En ik denk aan Dennie, die precies een jaar en een dag geleden overleed… Verdriet, dankbaarheid, blijdschap, vriendschap, rust: alles komt bij elkaar en het overdondert me zo dat de tranen in mijn ogen springen en ik ze al snel naar beneden voel rollen.

‘Je gaat nou toch niet janken, bovenop de Etna, Anouk?’, zeg ik tegen mezelf.
‘Jawel, dat doe ik wel’, antwoord ik terug. En het is goed zo.

Ondertussen staat Hij weer voor me – voor mijn uitzicht foto’s te maken – en Hij hoort het zachte gesnik en gesnif. Hij draait zich om en gaat voor me op zijn hurken zitten. ‘He, gaat het?’, zegt Hij.
‘Nee’, antwoord ik. ‘Ja nouja gewoon, twee jaar geleden had ik chemo’s en nu beklim ik een fucking vulkaan’, en ik begon iets harder te huilen.

‘Ja en ik ben super trots op je, sowieso al, maar ook omdat je dit hebt gedaan.’
‘Ja ik ben ook trots op ons’, snif ik terug. ‘En dan… ik moest ook denken aan Dennie, nouja en dan dit uitzicht’, ik slaak een diepe zucht en ik voel dat de druk er een beetje afgaat. Wat een gekke dag ook.

Ik drink nog wat water en kom een beetje bij. Het laatste stukje beklimmen we ook. Ik houd zijn hand vast, anders ben ik bang dat de wind me ervan af waait.

‘He! Dit gaat een stuk sneller!’, roep ik als we als een stel kleine kinderen hand in hand naar beneden rennen.

Als we weer beneden zijn lopen we langs het quad hutje van Miss chagrijn. ‘Zal ik nog even bij haar langs gaan, haar bedanken en vertellen dat we een hele mooie dag hebben gehad? Zonder haar chagrijnigheid hadden we misschien wel voor de quad gekozen, en dat had zonde geweest’, knipoogt Hij naar me.

Heb jij soms een brilletje nodig?

Kort geleden kon je lezen welke gevechten ik met mijn lenzen heb doorstaan. Het zijn nog steeds niet mijn beste vrienden, maar ik leer ze steeds beter kennen.

Hieraan vooraf ging de ontdekking van de slechte ogen. Dit kwam doordat Hij en ik een weekendje weg gingen en Hij van veraf allemaal teksten kon lezen die ik helemaal niet kon lezen. ‘Hoe weet jij dat dit de goede trein is dan?’, zei ik toen hij vertelde dat we echt op dit spoor moesten zijn na een omleiding van NS. ‘Dat staat daar, zie je dat niet?’

‘Uhw, nee.’

‘Dan moet je toch even je ogen laten testen hoor.’
‘Mwaa nee, dan doe ik mijn bril wel op die ik nu heb.’

‘Die doe je nooit op… sinds wanneer heb je die bril eigenlijk?’
‘Uhm, 2010, 2011..?’
‘Dat is best lang geleden…’

‘Mja, misschien moet ik ze toch maar eens testen… als ik tijd heb.’

Het weekend van deze ontdekking resulteerde in allemaal test die Hij afnam met Anouk.
Hij: ‘Zie je wat daar staat?’ Hij wijst naar de muur van het restaurant.
Anouk: ‘Ja’, en ik lees het menu op dat op de muur staat met krijt.
Hij: ‘En dit?’, Hij wijst naar een poster met kleinere letters, wat verder van ons af.
Anouk: ‘Uhm… nee dat zie ik niet.’
En Hij leest voor wat er staat.
‘Oja, nu je het zegt kan ik het wel een beetje herkennen, maar zullen we nu ophouden met dit spelletje. Plieeeeese? Ik ga wel naar de brillendokter oke!’

Na dit weekend zat ik zo’n twee maanden in de ontkenningsfase. In mijn agenda zette ik iedere week dat ik langs een brillendokter moest. Voor een bril. Of lenzen.

Uiteindelijk besloot ik om met lenzen te beginnen.

Maar omdat ik nogal droge ogen krijg van deze liefjes (ik noem ze liefjes in plaats van krengen want als ze me horen, willen ze morgen misschien niet meewerken…). Dus het leek me ook wel een goed plan om voor ’s avonds – en als ik geen zin heb in mijn liefjes – mijn bril op te zetten. Een nieuwe bril dus met dezelfde sterkte als mijn lenzen.

Via internet kon ik hartstikke handig een afspraak maken en na een paar dagen was het zover. Hij was nog even een ritje op de motor maken en ik vroeg of Hij 17.30 bij de brillendokter wilde zijn voor mijn afspraak zodat we samen even konden kijken. Om 17.30 liep ik de winkel binnen en keek even rond voor wat brillen. Al snel liep ik naar een medewerker om door te geven dat ik een afspraak had. Ik noemde mijn naam maar hij zei dat ik niet in het systeem stond.

‘Misschien een andere winkel van ons?’

Ik keek op mijn telefoon en liet het zien: ‘Nee ik heb een afspraak hier.’

Hij gaf mijn telefoon terug en zei: ‘Dit is volgende week, je hebt volgende week hier een afspraak om deze tijd.’
‘Hahah oh echt? Lekker slim, dan heb ik echt een brilletje nodig dus.’
Ik loop lachend de winkel uit, kijk om me heen en ik zie de motor met Hem erop nog niet. Het is ondertussen 17.50 uur. En mooi weer. Twee winkels verder zie ik een ijsjeszaak, en laat dit meisje nu eens dol zijn op ijsjes! Dus ik haal een ijsje en ga op een bankje zitten waar ik de straat goed kan zien. Niet veel later hoor ik het geronk van zijn motor. Hij ziet me niet en ik zie Hem zijn motor neerzetten.

Ik loop naar hem toe en triomfantelijk duw ik mijn ijsje onder zijn neus.

‘He! Moet jij niet binnen zijn?’, zegt Hij terwijl Hij zijn helm van zijn gezicht afhaalt.
‘Het is 18.00 uur dus de winkel is al gesloten, je bent te laat’, pest ik hem eerst.

‘Is het al 18.00 uur? Dan heb ik er veel langer over gedaan dan ik dacht!’
‘Maar geeft ook niet, want ik heb dus volgende week pas een afspraak’, we lopen naar de gracht en gaan op de stoep zitten, onze benen bungelen naar beneden. En ik vertel het verhaal van het meisje met de lenzen die haar afspraak bij de brillendokter verkeerd had gezien…

 

 

Het gevecht met mijn lenzen

Kort geleden kwam ik tot de ontdekking dat ik toch niet meer zulke goede ogen heb. Ik ging naar de brillendokter, voor een test en een stel lenzen.

Dat lenzen in doen, dat ging niet in één keer, vertelde de mevrouw me. Ik moest oefenen en geduld hebben. Dat is nou toch eens balen, als alle dingen nou in één keer goed gingen, gniffelde ik in mezelf.

Maar dat de lenzen de eerste tijd een klein gevecht ‘s ochtends zou zijn, dat had ik niet voorzien. Dus had ik al vrij snel een tactiek: lief tegen mijn lenzen praten.

‘He lensje goeiemorgen. Zo gaan we jou eens goed schoonmaken en dan ga je nu mijn oog in’, met zo’n stem alsof je tegen een baby praat.

En dan poging één, de lens in je oog doen… oké poging één mislukt. De lens blijf plakken op mijn vinger.
‘Dat geeft niet, dan doen we het nog een keer’, spreek ik mezelf en de lens toe.
De lens blijft weer plakken op mijn vinger en ik zie een mini stofje erop zitten.
Ik doop de lens nog een keer in de lenzenvloeistof en maak mijn vinger goed droog zodat de lens niet weer blijft plakken. En dan probeer ik het nog een keer.

Deze keer floept de lens op de één of andere manier uit mijn oog en blijft plakken aan mijn gezicht, net onder mijn oog. Opnieuw doop ik de lens in de lenzenvloeistof. En… weer een poging. Plop, de lens valt op de spiegel. ‘Hoe krijg ik dit nou weer voor elkaar?’, denk ik maar ik houd mijn mond zodat de lenzen me niet horen.
Nog een keer probeer ik het en net als ik denk dat het is gelukt kijk ik in de spiegel en zie ik dat de lens een soort van dubbelgevouwen in mijn oog zit. Ik haal de lens eruit en weer doe ik een poging. De lens valt weer op mijn gezicht.

Na nog een paar mislukte pogingen raakt mijn geduld op. ‘AAAARGH. Wat een %$#* LENS. Ik haat lenzen!’
‘Rustig blijven noukie, anders lukt het niet’, hoor ik vanuit de slaapkamer (die naast de woonkamer grenst, waar ik mijn lenzen indoe. Niet dat jullie denken dat ik zo hard gil ’s ochtends.)

Zo gaan er een paar weken voorbij, dan gaat het een tijdje goed en spring ik ’s ochtends van blijdschap bij Hem op bed als 1 lensje er in één keer ingaat. Andere keren heb ik er tien minuten voor nodig. En die tien minuten lijken uren te duren.

Ondertussen kijk ik op tegen de ochtenden omdat ik dan moet beginnen met mijn lenzen in mijn ogen doen. Zo ook die zaterdagochtend als ik bij mijn ouders ben. En het weer niet lukt. Ik zucht, en bedenk me dan dat mijn vader vroeger ook lenzen had. Ik loop de trap op naar de slaapkamer van mijn ouders en doe de deur zachtjes open. ‘Pap’, fluister ik. ‘Wil je zo even kijken bij mij en mijn lenzen, want ik snap niet wat ik verkeerd doe.’

‘Hmmm ja’, mompelt mijn vader terwijl hij langzaam zijn ogen opent. ‘Ja ik kom er zo aan.’

Yes. Dit geeft me goede hoop. Ik wacht beneden en raak mijn lenzen even niet aan totdat mijn vader beneden is voordat ik weer tegen het plafond aanzit door mijn grote vrienden.

Als mijn vader in zijn badjas beneden komt, gaat hij op de stoel naast me zitten. ‘Doe ze maar eens in’, zegt hij.

Ik pak de rechterlens (want daar begin ik altijd mee) en breng deze naar mijn oog. Mijn vader buigt zijn hoofd dichter naar mijn hoofd terwijl ik een poging doe om de lens in mijn oog te brengen. ‘Niet zo van dichtbij kijken pap, dan kan ik het niet!’

‘Je wilt toch weten wat je fout doet?’, antwoordt mijn vader niet-begrijpend.

‘Ja maar niet zo dichtbij met je hoofd, een stukje verder.’

Mijn vader knikt, haal zijn schouders op en ik doe nog een poging om mijn lens op mijn oogbal te krijgen. En jawel, de lens en ik falen. ‘Ik zie al wat jij verkeerd doet. Jij draait je oog weg als de lens eraan komt.’

‘Ja dat is toch ook hartstikke eng als zo’n ding in je oog gaat. Dat gebeurt automatisch!’, reageer ik geïrriteerd.

‘Je lens is gemaakt om precies op je pupil te liggen, je pupil heeft precies de juiste bolling’, gaat mijn vader verder. ‘Dus als jij je oog naar de andere kant draait, dan past de lens niet.’

‘Oh…’, zeg ik. ‘Dus dat heb ik al die tijd verkeerd gedaan.’

Ik probeer het nog een keer en dit keer draai ik weer mijn oog weg. ‘Nu doe je het weer!’, zegt mijn vader. ‘Jaahaa, ik weet het. Ik vind dat gewoon eng zo’n ding in je oog.’

‘Oke, dat kan. Maar goed, wat je dus niet moet doen is met je oog wegdraaien. Probeer dat maar’, en mijn vader kijkt de andere kant op.

Deze keer lukt het wel. ‘YEEESSS, hij zit erin!!!’, roep ik alsof ik het winnende doelpunt heb gemaakt in de finale.

‘En nu de andere nog’, zegt mijn vader. Oja…

De andere lens gaat er niet in één keer in maar het gaat wel wat sneller dan dat het meestal gaat.

De dagen erna oefen ik met het niet wegkijken van de lens als die eraan komt. En jawel, het lukt steeds vaker om de lens er in één keer in te krijgen.

Dus lieve mensen, soms duurt het even, en oefening baart kunst maar dan heb je ook wat: twee lenzen in je oog waardoor de wereld weer een beetje mooier (vooral veel scherper) eruitziet.

,

Waarom je creativiteit niet kan pushen maar je het moet voelen

Oh oh jongens wat is het leven toch een heerlijke leerschool, de leukste en de interessantste ever en ik heb er nog lang geen genoeg van. Laat ik jullie even vertellen waarom. Omdat ik een eigen bedrijf heb, ben ik veel tips aan het lezen voor ondernemers en om je ‘merk’ op te bouwen.

Nu heb ik geleerd dat je consequent moet zijn in het delen van je content, dus iedere week op dezelfde dag op hetzelfde tijdstip een blog delen bijvoorbeeld, of een video. Veel bloggers, vloggers en natuurlijk ook grotere bedrijven doen dit en ik dacht: ‘Ja dat ga ik ook doen, iedere donderdag om 11.00 deel ik een blog op Facebook. Die zet ik dan woensdag online.’ Dat ging heel lang goed en het ging natuurlijk want ik had genoeg waarover ik wilde schrijven en ik had genoeg inspiratie. Na een tijdje ging het iets lastiger en deed ik er wat langer over om een berichtje eruit te rammen. En ja dat is soms dan ook echt rammen als je het daarnaast even druk hebt met opdrachten. En als ik berichten eruit moet rammen dan ben ik meestal ook wat minder tevreden met blogs – ja dat durf ik best te zeggen, met sommige blogs was ik wat minder tevreden – la la la zoiets als wanneer ben je tevreden met je eigen teksten? Hoe vaak ga je er nog naar kijken en wat klopt er dan niet Anouk, als het volgens jou niet goed genoeg is ? – toch plaatste ik het want ik wilde me netjes aan die donderdag om 11.00 uur houden, dat vond ik hartstikke goed van mezelf.

En nu zat ik twee a drie weken terug op een blog te rammen en ik wilde het plaatsen en ik zei tegen Hem: ‘Ik voel het onderwerp niet. Ik voel niet wat ik heb geschreven, ik ben er gewoon niet blij mee… waarom lukt het niet’, ik zuchtte, het was woensdagavond en ik wilde eigenlijk mega graag mijn bed in.

‘Dan doe je het toch niet. De wereld vergaat niet als je het een week niet doet’, zei Hij.

ALARMBELLEN AAN BIJ ANOUK

‘Ja maar ik had een afspraak met mezelf, dat ik iedere week zou schrijven en daar wil ik me aan houden. En dat is ook goed voor mijn blog en voor mezelf want dan blijf ik schrijven!’

‘Jij moet niet zoveel van jezelf moeten. Denk je dat er morgen mensen aankloppen bij je waarom je niet hebt geschreven? Het is echt niet erg om een keer over te slaan.’

Ik las de tekst nog een keer en ik wilde het niet. Deze tekst wilde ik niet plaatsen, dit is niet Anouk, ik wil niet plaatsen om het plaatsen. Schrijven omdat ik 1 x in de week moet schrijven omdat er iets online moet komen. Van mezelf.

‘Je hebt gelijk’, ik klapte mijn laptop dicht en ging mijn bed in. De volgende dag kreeg ik allemaal berichtjes binnen waarom ik geen blog had geschreven!

Grapje natuurlijk, er was helemaal niets aan de hand.

En toen vroeg ik het vorige week aan bestie S. Zij leest meestal mijn blogs (iets dat ik gewoon weet) dus ik vroeg wat ze van de afgelopen paar vond omdat ik weet dat zij eerlijk is en omdat ze mij door en door kent. Ze zei: ‘Afgelopen tijd heb ik het eigenlijk niet meer zo gelezen omdat ik er laatst 1 las en toen dacht ik: nee dit is Anouk niet echt. Maar dat komt ook omdat ik jou zo goed ken, dus ik lees dat meteen aan zo’n stuk dat jij er niet echt in zat… snap je wat ik bedoel?’

There she got me.

Ik snapte precies wat ze bedoelde. Eerlijke vrienden zijn zooo belangrijk en dat wakker schudden had ik echt even nodig.

En toen zei ik ook: ‘Ja maar dat ziek zijn komt er nog zo vaak in voor, daar link ik nog zoveel aan dus ook in mijn blogs. En soms denk ik: ‘misschien denken mensen weleens: houd nou toch eens je hoofd over dat ziek zijn, dat weten we nu ondertussen wel.’  … soms zou ik ook gewoon even een weekje vrij willen van dat ziek zijn geweest. Dan heb ik er echt even geen zin in.’

‘Anouk… dat maakt jouw blogs juist zo goed. Omdat jij schrijft wat je denkt, dat ben jij. En daar hoort het ziek zijn uiteindelijk ook bij.’

Ja dat ziek zijn dat gaat er nooit af want dat is iets dat ik altijd ben geweest en waardoor ik nu ben wie ik ben en als dat hetgeen is dat ik wil schrijven, omdat ik dat voel, dan moet ik dat doen…

En toen luisterde ik deze podcast – van een video – van Marie Forleo (echt wat een vrouw!) en Elizabeth Gilbert (van het boek Eat, Pray, Love en ook weer: wauw nog zo’n vrouw!) Ik heb dit boek dus zes? jaar geleden gelezen en toen vond ik het wel oké en deze zomer las ik het nog een keer en toen SNAPTE ik het boek dus pas echt, wat een heerlijk mens die Elizabeth, maar goed dat is een ander verhaal. Wel een aanrader dus.)

Ik luisterde het interview tussen die twee en ik werd er zo blij van. Ondertussen heb ik het al een paar keer geluisterd. Het gaat o.a. over creativiteit en passie en schrijven: alles viel op z’n plek bij mij…

Waar dit dus even op neerkomt bij mij:

ik ben een schrijver die moet VOELEN wat ze schrijft als ik vanuit mezelf schrijf, dus dit gaan dan over blogs en columns.

Welke emotie of welk onderwerp het is: ik moet het voelen en meteen schrijven want dat is het moment dat het er IS en dan komt het zo natuurlijk uit me. Dan moet ik schrijven omdat het dan voelt alsof ik niet anders kan. Alsof je nodig moet plassen en echt meteen naar de wc moet. Ja zo voelt het ook als ik die drang heb naar schrijven.

Net als dit blog dat ik aan een stuk type zonder dat ik hoef na te denken dat ik het schrijf omdat ik het gewoon voel en omdat het uit me moet omdat ik niet anders kan. Dat is hoe ik wil schrijven en dat is creativiteit want dat komt onaangekondigd en het kan getriggerd worden door de kleinste dingen.

En omdat ik nu dus heb gezegd: ‘Anouk kap gewoon ff met dat creativiteit pushen van je blogs want dat werkt niet bij jou.’ Dan krijg ik daarna opeens weer inspiratie voor zes blogs. Ik moet zo lachen he, om mezelf. Dat ik nu een soort van snap hoe het schrijven bij mij in elkaar zit.

Oja en sorry trouwe lezer als je die wekelijkse blogs altijd las maar ik beloof je, het wordt beter. Want waar mijn kracht ligt, waarom ik hopen dat jullie dit lezen, is dat ik open en eerlijk schrijf, recht uit mijn hart. Dat is in ieder geval wat ik doe en ik hoop ook dat het zo overkomt. Kwaliteit boven kwantiteit. En ik hoop dat ik mijn creativiteit daardoor beter kwijt kan en jullie goede stukken van mij lezen, de stukken die jullie van mij willen lezen. – en dit betekent niet dat ik soms maanden niet schrijf. Alleen wat minder regelmatig. 

Dus ook nog even voor de lieve creativelingen en natuurlijk ook voor de lieve, wat minder creativelingen: niet zo pushen want dat forceren helpt niet altijd, let it all gooooooo. 

LIEFS